C-302/21 Banco Cetelem

Contentverzamelaar

Terug C-302/21 Banco Cetelem

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     16 juli 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     2 september 2021

Trefwoorden : kredietovereenkomsten; consumenten; oneerlijke bedingen; banken

Onderwerp :

-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

-           Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

-           Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten;

-           Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad;

Feiten:

Op 08-04-2011 hebben partijen een kredietovereenkomst gesloten m.b.t. een zogeheten doorlopend krediet op creditcard, waarin een rente werd vastgesteld die overeenkwam met een JKP (jaarlijkse kostenpercentage) van 23,14%. Bij de verwijzende rechter is – in eerste aanleg – een vordering tot vernietiging van de met verweerster (de bank) gesloten creditkaartovereenkomst ingesteld op grond dat de in die overeenkomst vastgestelde rente woeker inhoudt en dat de overeenkomst niet voldoet aan de transparantie- en informatievereisten zoals opgelegd door het consumentenbeschermingsrecht.

Overweging:

In casu moet worden bepaald of de rechtspraak van de Spaanse hoogste rechterlijke instantie betreffende de wet van 23 juli 1908 (nietigheid van woekerovereenkomsten) verenigbaar is met het Unierecht, en met name met richtlijn 2008/48/EG en richtlijn 93/13/EEG. Specifiek moet worden opgehelderd of de nationale rechter ambtshalve kan beoordelen of er sprake is van woekerrente en een overeenkomst inzake een doorlopend krediet op creditcard met een JKP van 23,14% – dus een lager JKP dan de 26,82% die de Tribunal Supremo in zijn recente rechtspraak heeft toegepast als drempelwaarde voor het bestaan van woeker – kan vernietigen, ook al is er geen sprake van afbreuk aan de openbare orde in de Unie.

Prejudiciële vragen:

Eerste prejudiciële vraag:

a) Moet de nationale rechter overeenkomstig het beginsel van voorrang van het Unierecht binnen de bevoegdheidssfeer van de Unie, met name in het kader van de regeling inzake consumentenkrediet en consumentenovereenkomsten, ambtshalve onderzoeken of de rechtspraak van de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) ter uitlegging en toepassing van de nationale antiwoekerwet (ley sobre nulidad de los contratos de préstamos usurarios) van 23 juli 1908 – welke rechtspraak niet alleen op de ongeldigheid van consumentenovereenkomsten voor een doorlopend krediet ziet, maar ook op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst en op de gelijkwaardigheid tussen de prijs en de verrichte dienst – in overeenstemming met het Unierecht is? Of is het zo – zoals de Tribunal Supremo heeft verklaard – dat die plicht om de verenigbaarheid met het Unierecht en de desbetreffende richtlijnen te toetsen afhankelijk is van of ondergeschikt is aan hetgeen de verzoekende partij heeft gevorderd (lijdelijkheidsbeginsel), met als gevolg dat indien op grond van het nationale recht slechts of primair wordt gevorderd dat de consumentenkredietovereenkomst wegens woeker wordt vernietigd, de voorrang en de harmoniserende werking van het Unierecht moeten worden geacht niet van toepassing te zijn, ook al ziet de rechtspraak van de Tribunal Supremo ter uitlegging en toepassing van de antiwoekerwet ook op de bepaling van het eigenlijke voorwerp en de prijsprestatieverhouding van een consumentenkredietovereenkomst zoals die welke aan de orde is in het bij de nationale rechter aanhangige geding?

b) Is er overeenkomstig de genoemde voorrang en harmoniserende werking van het Unierecht in het kader van de regeling inzake consumentenkrediet en consumentenovereenkomsten – aangezien i) de Tribunal Supremo in meerdere arresten heeft aangegeven dat de uitsluiting als bedoeld in artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG een geharmoniseerde regel is die volledig is omgezet naar Spaans recht, waardoor de nationale rechter geen prijstoetsing mag uitvoeren, ii) er naar Spaans recht, waaronder ook in de antiwoekerwet van 1908, geen bepaling is die een dergelijke rechterlijke prijstoetsing in algemene zin mogelijk maakt of daarvoor het kader biedt, en iii) voorts het mogelijke gebrek aan transparantie van het beding inzake de prijs van het betreffende consumentenkrediet niet is beoordeeld – sprake van strijdigheid met artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG wanneer de nationale rechter bij de toepassing van een nationale regeling, namelijk de antiwoekerwet van 1908, zich niet houdt aan de normale werkingssfeer van die wet – die ziet op de vernietiging van een afgesloten overeenkomst – en een toetsing verricht van het eigenlijke voorwerp van die overeenkomst, waarbij hij op algemene wijze de prijs van het consumentenkrediet onder verwijzing naar de rente (nominaal rentetarief) of de kosten van het consumentenkrediet onder verwijzing naar het jaarlijkse kostenpercentage (JKP) vaststelt?

c) Is de toetsing door de nationale rechter ter bepaling – op algemene wijze – van de prijs of de kosten van het consumentenkrediet, zonder dat een nationale bepaling daarvoor expliciet het kader biedt, verenigbaar met artikel 120 VWEU betreffende een openmarkteconomie en het beginsel van de contractsvrijheid van partijen?

Tweede prejudiciële vraag:

Is er overeenkomstig het beginsel van voorrang van het Unierecht binnen de bevoegdheidssfeer van de Unie, met name gelet op de richtlijnen die het consumentenkrediet en de consumentenovereenkomst regelen, sprake van strijdigheid met het rechtszekerheidsbeginsel, waarvan de inachtneming een noodzakelijke voorwaarde vormt voor de correcte en efficiënte werking van de interne markt voor consumentenkrediet, wanneer de Tribunal Supremo ter bestrijding van woeker een algemene beperking stelt aan het JKP dat in een consumentenkredietovereenkomst kan worden opgelegd aan de consument, en dit geschiedt op basis van criteria die niet objectief en nauwkeurig zijn, maar slechts bij benadering omschreven zijn, zodat het aan elke nationale rechter wordt overgelaten om in het bij hem aanhangige geding een specifieke invulling te geven aan die beperking?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-26/13; C-143/13; C-604/11; C-503/20;

Specifiek beleidsterrein: FIN; EZK