C-306/20 Visma Enterprise

Contentverzamelaar

C-306/20 Visma Enterprise

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     11 september 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     28 oktober 2020

Trefwoorden : mededingingsrecht; distributeurs;

Onderwerp :

Verordening (EU) nr. 330/2010 van de Commissie van 20 april 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde gedragingen;

 

Feiten:

Verzoekster is ontstaan uit de fusie van twee (bij het bestreden besluit beboete) ondernemingen. Verzoekster is houdster van de auteursrechten op twee boekhoudprogramma’s die zij zowel zelf als via distributeurs distribueerde. In verzoeksters overeenkomsten met de distributeurs werden klanten voorbehouden aan / gereserveerd voor de betrokken distributeur gedurende een bepaalde periode vóór het sluiten van de koopovereenkomst. De Letse mededingingsautoriteit heeft bij besluit geoordeeld dat de litigieuze overeenkomsten moesten worden beschouwd als mededingingsregelingen die de mededinging tussen distributeurs beperkten. Daarbij is aan verzoekster een boete van €64.029,23 opgelegd. Verzoekster heeft beroep ingesteld bij de verwijzende rechter tegen dit besluit. De verwijzende rechter heeft de vordering van verzoekster tot hoofdelijke oplegging van een boete aan beide ondernemingen (de twee vennootschappen waarvan de fusie tot de oprichting van verzoekster had geleid) gedeeltelijk toegewezen, maar het beroep verworpen voor het overige. Op de door beide partijen ingestelde cassatieberoepen heeft de hoogste rechterlijke instantie (hierna: Senāts) het vonnis van de verwijzende rechter vernietigd en de zaak naar hem terugverwezen. De verwijzende rechter heeft het beroep opnieuw verworpen en op het cassatieberoep van verzoekster heeft de Senāts weer het vonnis van de verwijzende rechter vernietigd.

 

Overweging:

De verwijzende rechter wijst erop dat de overeenkomst in casu de handel tussen lidstaten niet ongunstig kan beïnvloeden. Aangezien de toepasselijke nationale bepaling, namelijk artikel 11(1) van de mededingingswet, hetzelfde rechtskader vaststelt als artikel 101(1) VWEU, is het echter van essentieel belang te voorkomen dat er in Letland een andere aanpak wordt gevolgd om verticale mededingingsregelingen op te sporen. Op basis van de rechtspraak van het Hof (C-32/11) besluit de verwijzende rechter dat er een rechtsgrond is om de prejudiciële vragen te stellen om na te gaan of de aard van een overeenkomst (die bepaalt dat in het geval van eventuele geregistreerde transacties de distributeur die de transactie het eerst heeft geregistreerd voorrang heeft om de verkoop aan de betrokken eindgebruiker af te ronden, tenzij laatstgenoemde daartegen bezwaar maakt) leidt tot de conclusie dat die overeenkomst objectief gezien tot doel heeft om de mededinging op de markt te verhinderen, te beperken of te vervalsen.

 

Prejudiciële vragen:

1) Kan de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde overeenkomst tussen een producent en distributeurs (op grond waarvan de distributeur die een mogelijke transactie als eerste heeft geregistreerd, gedurende een periode van zes maanden vanaf die registratie voorrang krijgt om de verkoop aan de betrokken eindgebruiker af te ronden, tenzij laatstgenoemde daartegen bezwaar maakt) volgens een juiste uitlegging van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) worden beschouwd als een overeenkomst tussen ondernemingen die erop is gericht de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU?

2) Bevat de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde overeenkomst tussen een producent en distributeurs, wanneer die wordt uitgelegd in overeenstemming met het VWEU, aanwijzingen waaruit kan worden afgeleid dat ze niet van het algemene verbod van mededingingsregelingen is vrijgesteld?

3) Moet worden aangenomen dat de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde overeenkomst tussen een producent en distributeurs, wanneer die wordt uitgelegd in overeenstemming met het VWEU, een uitzondering vormt? Vallen alleen systemen van exclusieve distributie onder de uitzondering op grond waarvan verticale overeenkomsten kunnen worden gesloten die voorzien in een beperking van de actieve verkoop binnen het gebied dat of aan de groep klanten die de leverancier exclusief voor zichzelf heeft gereserveerd of exclusief aan een andere koper heeft toegewezen, wanneer een dergelijke beperking de verkoop door de klanten van de koper niet belemmert en wanneer het marktaandeel van de leverancier (verzoekster) niet hoger is dan 30 %?

4) Kan de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde overeenkomst tussen een producent en distributeurs, wanneer die wordt uitgelegd in overeenstemming met het VWEU, reeds een verboden overeenkomst opleveren wegens het onrechtmatige gedrag van één enkele marktdeelnemer? Zijn er in de omstandigheden van de onderhavige zaak, bij uitlegging ervan in overeenstemming met het VWEU, aanwijzingen dat er slechts één enkele marktdeelnemer aan een mededingingsregeling heeft deelgenomen?

5) Zijn er in de omstandigheden van de onderhavige zaak, bij uitlegging ervan in overeenstemming met het VWEU, aanwijzingen dat de mededinging binnen het distributiesysteem is beperkt (verstoord), dat verzoekster een voordeel heeft gekregen, of dat de mededinging ongunstig is beïnvloed?

6) Zijn er in de omstandigheden van de onderhavige zaak, bij uitlegging ervan in overeenstemming met het VWEU, aanwijzingen voor negatieve gevolgen voor de mededinging binnen en/of buiten het distributiesysteem als het marktaandeel van het distributienetwerk niet meer dan 30 % bedraagt (verzoekster is een producent, waardoor de omzet van haar distributeurs ook tot haar marktaandeel behoort) en valt de betrokken overeenkomst onder het verbod van mededingingsregelingen?

7) Moet overeenkomstig artikel 101, lid 3, VWEU en artikel 2 van verordening (EU) nr. 330/2010 van de Commissie van 20 april 2010, gelezen in samenhang met artikel 4, onder b), ervan:

–          de vrijstelling worden toegepast op een distributiesysteem waarbij i) de distributeur (handelaar) zelf de mogelijke klant kiest waarmee hij zal samenwerken; ii) de leverancier niet vooraf, op basis van objectieve, welbekende en verifieerbare criteria, een concrete groep klanten heeft aangeduid waaraan elke distributeur zijn diensten verleent; iii) de leverancier op verzoek van de distributeur (handelaar) mogelijke klanten reserveert voor die distributeur; iv) de overige distributeurs niet weten dat er een mogelijke klant is gereserveerd, of daar niet vooraf van op de hoogte zijn gebracht; of waarbij v) het enige criterium op basis waarvan een mogelijke klant wordt voorbehouden en bijgevolg het systeem van exclusieve distributie ten gunste van een bepaalde distributeur wordt opgezet het verzoek van die distributeur is en niet de beslissing van de leverancier; of waarbij vi) de reservering gedurende zes maanden vanaf de registratie van de mogelijke transactie blijft gelden (waarna er geen sprake meer is van exclusieve distributie)?

–          worden aangenomen dat de passieve verkoop niet wordt beperkt als de tussen de leverancier en de distributeur gesloten overeenkomst voorziet in de voorwaarde dat de koper (eindgebruiker) bezwaar kan maken tegen een dergelijke reservering, maar die koper daar niet van op de hoogte is gebracht? Kan het gedrag van de koper (eindgebruiker) de voorwaarden van de overeenkomst tussen de leverancier en de distributeur beïnvloeden (rechtvaardigen)?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Allianz Hungária Biztosító e.a. C-32/11;

Specifiek beleidsterrein: EZK