C-319/19 Komisia za protivodeystvie na koruptsiyata i za otnemane na nezakonno pridobitoto imushtestvo

Contentverzamelaar

C-319/19 Komisia za protivodeystvie na koruptsiyata i za otnemane na nezakonno pridobitoto imushtestvo

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     12 augustus 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     29 september 2020

Trefwoorden : bevriezing tegoeden; procedurele waarborgen

Onderwerp :

Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende  de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie;

 

Feiten:

Bij de militaire rechter is een strafzaak aanhangig tegen ZV, waarbij de ten laste gelegde feiten strafbare feiten zijn waarop de ingetrokken ZOPDNPI (wet inzake de confiscatie van illegaal verkregen vermogen) toepassing vindt. ZV wordt ervan beschuldigd dat zij in haar hoedanigheid als vakgroepshoofd bij de medische academie vermogensvoordeel heeft genoten door apparatuur en werknemers van de academie gratis ter beschikking te stellen aan “DERMA PRIM-MK”. Hierdoor heeft de academie ruim 7 miljoen Bulgaarse leva (BGN) aan inkomstenderving en vermogensschade geleden. Verzoeker heeft een procedure ingeleid tot confiscatie van het illegaal verkregen vermogen, zowel van ZV als van natuurlijke en rechtspersonen van wie wordt vermoed dat zij met de gecontroleerde persoon zijn gelieerd of door haar worden gecontroleerd. Op verzoek van de commissie en voorafgaand aan de inleiding van deze procedure heeft de verwijzende rechter maatregelen vastgesteld ter bevriezing van het vermogen waarvan confiscatie wordt gevorderd. Verwerende partijen komen op tegen de procedure en voeren aan dat  deze niet-ontvankelijk is, omdat de Bulgaarse wet in strijd is met richtlijn 2014/42 welke niet naar behoren is omgezet in Bulgaars recht. Wegens deze gebrekkige omzetting zijn verwerende partijen en de derden tegen wie de maatregelen ter bevriezing dan wel confiscatie van illegaal verkregen vermogen zijn genomen, verstoken gebleven van hun procedurele waarborgen.

 

Overweging:

In de loop van de gerechtelijke procedure is de vraag gerezen of richtlijn 2014/42 in de weg staat aan de nationale maatregelen zoals de hier aan de orde zijnde (ingetrokken) wet inzake de confiscatie van illegaal verkregen vermogen. Deze bepalingen zijn inhoudelijk identiek aan die van de thans geldende wet inzake corruptiebestrijding en confiscatie van illegaal verkregen vermogen.

 

Prejudiciële vragen:

1. Is bij de confiscatie van illegaal verkregen vermogen sprake van een punitieve maatregel in de zin van richtlijn 2014/42/ Е U van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese of van een civielrechtelijke maatregel, wanneer:

A)         de nationale wet uitdrukkelijk bepaalt dat confiscatie van vermogen algemene preventie tot doel heeft, dat wil zeggen het voorkomen van mogelijkheden om illegaal vermogen te verkrijgen en erover te beschikken, zonder dat voor een dergelijke confiscatie het plegen van een strafbaar feit of een andere rechtsinbreuk en een direct of indirect verband tussen deze rechtsinbreuk en het verkregen vermogen vereist is;

B)         de confiscatie niet een afzonderlijk vermogensbestanddeel treft, maar (I) het volledige vermogen van de gecontroleerde persoon, (II) de vermogensrechten van derde natuurlijke of rechtspersonen die onder bezwarende titel dan wel om niet door de gecontroleerde persoon zijn verworven en (III) de vermogensrechten van de contractpartijen van de gecontroleerde persoon en van voornoemde derde partijen;

C)        de enige voorwaarde voor confiscatie een onweerlegbaar vermoeden is dat het volledige vermogen illegaal is verkregen (zonder een vooraf vastgestelde begripsomschrijving van „legale/illegale herkomst”);

D)        de rechtmatigheid van de verwerving van het vermogen door de gecontroleerde persoon, bij gebreke van bewijs voor de herkomst ervan, voor alle betrokken personen (gecontroleerde persoon, derden en hun eerdere contractpartijen) met terugwerkende kracht tot tien jaar terug opnieuw wordt bepaald, met dien verstande dat op het tijdstip waarop de vermogensrechten in kwestie zijn verworven, geen sprake was van een dergelijke wettelijke bewijsplicht?

2. Moeten de bij artikel 8 van richtlijn 2014/42/ Е U gewaarborgde minimumrechten waarop eigenaren en derden zich kunnen beroepen, aldus worden uitgelegd dat deze niet in de weg staan aan bepalingen van nationaal recht en aan nationale rechtspraak volgens welke goederen kunnen worden geconfisqueerd zonder dat is voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden bepaald in de artikelen 4, 5 en 6 van de richtlijn, wanneer de strafprocedure tegen de persoon in kwestie wegens het ontbreken van een strafbaar feit (met de instemming van de rechter) is gestaakt of wanneer de persoon in kwestie bij gebrek aan een strafbaar feit is vrijgesproken?

3. Moet met name artikel 8 van richtlijn 2014/42/ Е U aldus worden uitgelegd dat de daarin  gewaarborgde waarborgen voor de rechten van een veroordeelde persoon van wie het vermogen het voorwerp uitmaakt van een confiscatieprocedure ook moeten worden toegepast in een procedure als de onderhavige, die gelijktijdig met en onafhankelijk van een strafrechtelijke procedure wordt behandeld?

4. Moeten het in artikel 48, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerde vermoeden van onschuld, de in artikel 48, lid 2, van het Handvest verankerde eerbiediging van de rechten van de verdediging en het doeltreffendheidsbeginsel aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale regeling als de hier aan de orde zijnde die:

•          uitgaat van een vermoeden dat vermogen van criminele oorsprong is wanneer de herkomst ervan niet is vastgesteld of aangetoond [artikel 1, lid 2, van de Zakon za otnemane v polza na darzhavata na nezakonno pridobito imushtestvo (otm.)] [wet inzake de confiscatie van illegaal verkregen vermogen (ingetrokken)];

•          uitgaat van een vermoeden van een gegronde verdenking dat vermogen illegaal is verkregen (artikel 21, lid 2, van de ingetrokken ZOPDNPI);

•          de bewijslast omkeert met betrekking tot de herkomst van vermogen en de middelen waarmee dit is verkregen, niet alleen voor de gecontroleerde persoon, maar ook voor derden die niet alleen de herkomst van eigen vermogen, maar ook van vermogen van hun rechtsvoorgangers moeten aantonen, zelfs indien dit vermogen om niet is verworven;

•          de aanwezigheid van een „vermogensdiscrepantie” als enig en doorslaggevend bewijs hanteert voor het feit dat vermogen illegaal is verkregen;

•          de bewijslast omkeert, niet alleen voor de veroordeelde persoon, maar voor alle betrokken personen, zelfs vóór het tijdstip van hun veroordeling dan wel onafhankelijk daarvan;

•          de aanwending toestaat van juridische en economische onderzoeks- en analysemethoden ter onderbouwing van de verdenking dat vermogen illegaal is verkregen, alsook ter vaststelling van de waarde ervan, met dien verstande dat deze verdenking bindend is voor de verwijzende rechter, zonder dat deze de inhoud en de aanwending van deze methoden aan een volledige rechterlijke toetsing kan onderwerpen?

5. Moet artikel 5, lid 1, van richtlijn 2014/42/ Е U van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat de gegronde verdenking (geschraagd door de in de loop van de procedure vergaarde en door de rechter beoordeelde omstandigheden) dat vermogen door een strafbaar feit is verkregen, door de nationale wet wordt vervangen door de verdenking (het vermoeden) dat de vermogensaanwas illegaal is, wanneer die verdenking (dat vermoeden) louter berust op de feitelijke vaststelling dat deze vermogensaanwas meer bedraagt dan een in de nationale wet genoemde waarde (bijvoorbeeld 75 000 EUR over tien jaar)?

6. Moet het recht op eigendom, als algemeen beginsel van Unierecht verankerd in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling als de hier aan de orde zijnde die:

•          uitgaat van een onweerlegbaar vermoeden met betrekking tot de bestanddelen en omvang van illegaal verkregen vermogen (artikel 63, lid 2, van de ingetrokken ZOPDNPI);

•          uitgaat van een onweerlegbaar vermoeden van de nietigheid van rechtshandelingen tot verkrijging van en beschikking (artikel 65 van de ingetrokken ZOPDNPI); of

•          derden die zelfstandige rechten hebben of geldend maken op vermogen dat het voorwerp uitmaakt van een confiscatieprocedure volgens de procedure van artikel 76, lid 1, van de (ingetrokken) ZOPDNPI beperkt in hun recht op informatie over de zaak?

7. Hebben de bepalingen van artikel 6, lid 2, en artikel 8, leden 1 tot en met 10, van richtlijn 2014/42/ Е U rechtstreekse werking, voor zover daarin wordt voorzien in waarborgen en beschermingsmaatregelen ten aanzien van de door de confiscatie getroffen personen of derden te goeder trouw?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV