C-32/19 Pensionsversicherungsanstalt

Contentverzamelaar

C-32/19 Pensionsversicherungsanstalt

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

 

Termijnen: Motivering departement: 12 maart 2018
Schriftelijke opmerkingen: 26 april 2019

Trefwoorden : pensioen, sociaal zekerheidsrecht, verblijfsrecht

Onderwerp :

- Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: burgerschapsrichtlijn);

 

Feiten:

Verzoeker is een Roemeens onderdaan die op 28.01.2015 de normale Oostenrijkse pensioenleeftijd (65) heeft bereikt en ontvangt ook een Oostenrijks ouderdomspensioen naast een Roemeens pensioen. Verzoeker was in Roemenië werkzaam als leraar en vervolgens in een overheidsbedrijf. Vanaf 2010 werkte hij als zelfstandig kunstenaar. Verzoeker woont sinds 2012 bij zijn dochter in Oostenrijk, sinds 21.08.2013 ononderbroken. Van 01.10.2013 tot 31.08.2015 heeft hij 12 uur per week in de tabakswinkel van zijn schoonzoon gewerkt. Van 01.04.2016 tot 01.02.2017 heeft hij opnieuw hier gewerkt, volgens de arbeidsovereenkomst 20 uur per week. Verzoeker werkte echter minder dan 20 uur per week. Hij werd slechts voor 20 uur aangemeld om een verklaring van inschrijving als werknemer in de zin van § 51(1) van de Oostenrijkse wet betreffende vestiging en verblijf (hierna: NAG) te verkrijgen. Verzoeker heeft in 2017 verzocht om toekenning van een toeslag op zijn pensioen en heeft zich hierbij beroepen op zijn duurzame verblijfsrecht onder artikel 17(1)a) van de burgerschapsrichtlijn. De verwerende partij (Pensionsversicherungsanstalt) betwist dat verzoeker legaal in Oostenrijk verblijft en heeft de toeslag geweigerd. Tussen partijen is in geschil of verzoeker het in artikel 17(1) van de burgerschapsrichtlijn bedoelde duurzame verblijfsrecht heeft. Wel staat vast dat verzoeker een niet actieve Unieburger is en niet beschikt over voldoende bestaansmiddelen als bedoeld in artikel 7(1) onder a) en b), van de burgerschapsrichtlijn en dat verzoeker op de naar Oostenrijks recht relevante peildatum nog niet 5 jaar ononderbroken in Oostenrijk had verbleven. De rechter in eerste aanleg heeft de vordering tot toekenning van de toeslag op het ouderdomspensioen afgewezen. De rechter in tweede aanleg heeft verzoekers vordering ook afgewezen. Tegen deze beslissing heeft verzoeker beroep in Revision ingesteld bij de verwijzende rechter. Hij verzoekt om toekenning van een toeslag op het ouderdomspensioen overeenkomstig de wettelijke bepalingen.

 

Overweging:

De verwijzende rechter voert aan dat de vraag of verzoeker recht heeft op een Oostenrijkse toeslag op het ouderdomspensioen afhangt van de rechtmatigheid van zijn verblijf in Oostenrijk. In dit geval is het beslissend of de vereisten van artikel 17(1)a) van de burgerschapsrichtlijn ook van toepassing zijn op een werknemer of zelfstandige die bij het staken van zijn werkzaamheid de normale pensioenleeftijd van het gastland heeft bereikt. Is dit het geval, dan geniet verzoeker geen duurzaam verblijfsrecht zoals bedoeld in de burgerschapsrichtlijn. Volgens de verwijzende rechter is de door verzoeker bepleite uitlegging van artikel 17(1) a) van de burgerschapsrichtlijn in strijd met de doelstellingen van artikel 7(1) onder b), van die richtlijn. Verder is de bewoording van de relevante artikelen niet zo duidelijk dat er sprake is van een “acte clair” volgens de verwijzende rechter. De uitleg van het Hof omtrent deze kwestie is dus gewenst om op de voorliggende zaak te kunnen beslissen.

 

Prejudiciële vragen:

1. Dient artikel 17, lid 1, onder a), van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (burgerschapsrichtlijn of richtlijn vrij verkeer) aldus te worden uitgelegd dat een werknemer die bij het staken van zijn werkzaamheid de leeftijd heeft bereikt waarop hij volgens de wetgeving van de werkstaat aanspraak heeft op een ouderdomspensioen, in die staat ten minste gedurende de laatste twaalf maanden werkzaam moet zijn geweest en er meer dan drie jaar ononderbroken moet hebben verbleven om vóór afloop van een periode van vijf jaar het duurzame verblijfsrecht te verwerven?

2. Voor het geval dat de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: Geniet een werknemer op grond van artikel 17, lid 1, onder a), eerste geval, van de burgerschapsrichtlijn duurzaam verblijfsrecht wanneer hij zijn werkzaamheid in een andere lidstaat aanvangt op een tijdstip waarop voorzienbaar is dat hij die werkzaamheid tot het bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd slechts gedurende vrij korte tijd zal kunnen uitoefenen en dat hij wegens geringe inkomsten hoe dan ook na het staken van zijn werkzaamheid aangewezen zal zijn op sociale bijstand van het gastland?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: SZW, JenV-dmb

 

​​​​​​​

Gerelateerde documenten