C-325/20 BEMH et Conseil national des centres commerciaux

Contentverzamelaar

C-325/20 BEMH et Conseil national des centres commerciaux

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     17 september 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     3 november 2020

Trefwoorden : dienstenrichtlijn; interne markt

Onderwerp :

Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt;

 

Feiten:

De Nationale Raad van winkelcentra verzoekt de verwijzende rechter besluit nr. 2019-331 betreffende de samenstelling en de werking van de departementale commissies voor ruimtelijke ordening met betrekking tot bedrijven en aanvragen van een bedrijfsvergunning nietig te verklaren wegens bevoegdheidsoverschrijding. De Nationale Raad betoogt o.a. dat artikel L. 752-6 van de code de commerce, zoals gewijzigd bij artikel 4 van het bestreden besluit, economische testcriteria invoeren die in strijd zijn met artikel 49(5) VWEU en artikel 14 van de dienstenrichtlijn. Verder stelt de Nationale Raad dat artikel L. 751-2 van de code de commerce en de artikelen 1 t/m 3 van het bestreden besluit in strijd zijn met artikel 14(6) van de dienstenrichtlijn, voor zover zij bepalen dat er gekwalificeerde vertegenwoordigers van het bedrijfsleven zitting hebben in de departementale commissies van ruimtelijke ordening met betrekking tot bedrijven. In een verweerschrift heeft de minister van Economische Zaken en Financiën geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Hij betoogt dat de door de Nationale Raad van winkelcentra aangevoerde middelen ongegrond zijn. Het beroep is verworpen.

 

Overweging:

Krachtens artikel L. 751-1 van de code de commerce geven de departementale commissies voor ruimtelijke ordening met betrekking tot bedrijven een advies, dat bindend is, over aanvragen voor een bedrijfsvergunning. Het antwoord op het door verzoekers aangevoerde middel hangt af van de vraag of artikel 14(6) van de dienstenrichtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het toestaat dat een collegiaal orgaan dat bevoegd is om een advies uit te brengen over de afgifte van een bedrijfsvergunning, mede bestaat uit gekwalificeerde personen die het bedrijfsleven vertegenwoordigen, wier rol beperkt is tot het geven van een uiteenzetting van de stand van het bedrijfsleven in het betreffende verzorgingsgebied en van de impact van het project op dat bedrijfsleven, zonder deelname aan de stemming over de vergunningaanvraag. Deze vraag, die bepalend is voor de uitkomst van het geding wat de rechtmatigheid van de artikelen 1 t/m 3 van het besluit betreft, levert een ernstige moeilijkheid op. Bijgevolg dient de zaak aan het Hof te worden voorgelegd.

 

Prejudiciële vragen:

De behandeling van de vorderingen van verzoekschrift nr. 431724 van de Conseil national des centres commerciaux wordt geschorst voor zover daarbij wordt verzocht om nietigverklaring van de artikelen 1 tot en met 3, 10 en 11 van besluit nr. 2019-331 van 17 april 2019 en vorderingen uit hoofde van artikel L. 761-1 van de code de justice administrative (wetboek van bestuursprocesrecht) zijn ingediend, totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie zich heeft uitgesproken over de vraag of artikel 14, punt 6, van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt aldus moet worden uitgelegd, dat het zich er niet tegen verzet dat een collegiaal orgaan dat bevoegd is een advies uit te brengen over de verlening van een bedrijfsvergunning, mede bestaat uit gekwalificeerde personen die het bedrijfsleven vertegenwoordigen, wier rol beperkt is tot het geven van een uiteenzetting over de stand van het bedrijfsleven in het betreffende verzorgingsgebied en de impact van het project op dat bedrijfsleven, zonder deelname aan de stemming over de vergunningaanvraag.

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK