C-340/20 Bank Sepah

Contentverzamelaar

C-340/20 Bank Sepah

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     22 september 2020
Schriftelijke opmerkingen:                      8 november 2020

Trefwoorden : bevroren tegoeden; sancties; conservatoir beslag

Onderwerp :

-           Verordening (EG) nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran;

-           Verordening (EU) nr. 961/2010 van de Raad van 25 oktober 2010 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EG) nr. 423/2007;

-           Verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van verordening (EU) nr. 961/2010;

 

Feiten:

Op 24-03-2007 is Bank Sepah door de Veiligheidsraad van de VN aangewezen als een van de “entiteiten die betrokken zijn bij Iraanse nucleaire activiteiten of activiteiten met betrekking tot ballistische raketten”.  De tegoeden van Bank Sepah werden bevroren. Op 26-04-2007 werd Bank Sepah – in een aparte procedure – veroordeeld tot betaling van 2.500.000 USD aan Overseas Financial en 1.500.000 USD aan Oaktree Finance. Op 17-01-2016 heeft de Veiligheidsraad Bank Sepah geschrapt van de lijst van personen en entiteiten waarop beperkende maatregelen tegen Iran van toepassing zijn. Vervolgens hebben Overseas Financial en Oaktree Finance op 17-05-2016 betalingsbevelen aan Bank Sepah laten afgeven. Ook hebben zij derdenbeslag en beslag op vennootschappelijke rechten en effecten laten leggen, jegens Bank Sepah. Bank Sepah heeft Overseas Financial en Oaktree Finance gedagvaard om deze maatregelen te betwisten. Tegen de beslissing van de executierechter is hoger beroep ingesteld, dat de rechter in tweede aanleg bij uitspraak heeft beslecht. Bank Sepah, enerzijds, en Overseas Financial en Oaktree Finance, anderzijds, hebben tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld. In de bestreden uitspraak is met name verklaard dat de door Overseas Financial en Oaktree Finance voor de periode vóór 17-05-2011 gevorderde rente was verjaard, op grond dat zij zich niet konden beroepen op enige grond voor stuiting van de verjaring en zij zelf geen handeling tot stuiting van de verjaring hadden verricht, terwijl zij daartoe wel de mogelijkheid hadden.

 

Overweging:

De verwijzende rechter is van oordeel dat de uitkomst van het geding afhangt van de vraag of Overseas Financial en Oaktree Finance de verjaring hadden kunnen stuiten door middel van een conservatoire maatregel of een maatregel tot gedwongen tenuitvoerlegging op de bevroren tegoeden van Bank Sepah. De vraag rijst of maatregelen die geen dergelijke directe onttrekkende werking hebben, zonder voorafgaande toestemming op bevroren tegoeden kunnen worden getroffen. Verder rijst de vraag of de mogelijkheid om zonder voorafgaande toestemming een maatregel op bevroren activa ten uitvoer te leggen, per categorie van handelingen moet worden beoordeeld, zonder rekening te houden met de specifieke kenmerken van de zaak, dan wel of deze specifieke kenmerken wel degelijk in aanmerking kunnen worden genomen. De verwijzende rechter is van oordeel dat het antwoord op deze vragen niet evident is, aangezien de verordeningen van de Unie geen enkele uitdrukkelijke bepaling bevatten en noch het Gerecht noch het Hof de gelegenheid heeft gehad om zich daarover uit te spreken.

 

Prejudiciële vragen:

1) Moeten artikel 1, onder h) en j), en artikel 7, lid 1, van verordening (EG) nr. 423/2007, artikel 1, onder i) en h), en artikel 16, lid 1, van verordening (EU) nr. 961/2010, alsook artikel 1, onder k) en j), en artikel 23, lid 1, van verordening (EU) nr. 267/2012 aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat op bevroren tegoeden zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde nationale autoriteit een maatregel zonder directe onttrekkende werking wordt toegepast, zoals een gerechtelijke zekerheidstelling of een conservatoir beslag, waarin de Franse code des procédures civiles d’exécution voorziet?

2) Is het voor de beantwoording van de eerste vraag van belang dat de grond van de schuldvordering die moet worden geïnd bij de persoon of entiteit waarvan de tegoeden zijn bevroren, niets van doen heeft met Iraanse nucleaire en ballistische activiteiten en dateert van vóór resolutie 1737 (2006) van 23 december 2006 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV; FIN