C-347/21 DD 

Contentverzamelaar

C-347/21 DD 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     21 september 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     7 november 2021

Trefwoorden : rechten van verdediging; beklaagde; advocaat; herstel;

Onderwerp :

•          Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en  consulaire  autoriteiten  te  communiceren  tijdens  de   vrijheidsbeneming;

•          Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart  2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn 

Feiten:

DD werd ervan beschuldigd dat hij onderdanen van derde landen illegaal heeft binnengesmokkeld in Bulgarije. Beklaagde DD en zijn raadsman, advocaat VV, zijn op 15 oktober 2020 op de terechtzitting verschenen. Het verhoor van de getuigen werd tijdens die terechtzitting uitgesteld. De getuigen werden verhoord op de volgende terechtzitting van 30 november 2020, maar advocaat VV kon daarbij niet aanwezig zijn vanwege een coronabesmetting. Zowel advocaat VV als beklaagde DD konden beiden niet aanwezig zijn bij de terechtzitting van 18 december 2020 vanwege gezondheidsproblemen (o.a. coronavirus). VV en DD zijn verschenen op de terechtzitting van 11 januari 2021. Tijdens die terechtzitting heeft VV aangevoerd dat de rechten van verdediging waren geschonden, doordat de verwijzende rechter de terechtzitting van 30 november en 18 december 2020 heeft laten doorgaan in afwezigheid van DD (18 december) en VV (30 november en 18 december). Op 22 februari 2021 heeft een aanvullend verhoor van de getuigen plaatsgevonden. DD en VV waren persoonlijk aanwezig en konden hun vragen stellen. Ook na het aanvullend verhoor bleef VV bij zijn standpunt dat de schending van de rechten van de verdediging niet was verholpen. Volgens VV kon deze schending alleen worden verholpen door de getuigenverhoren te herhalen met de vragen die tijdens de terechtzittingen van 30 november 2020 en 18 december 2020 door de andere partijen waren gesteld. Aangezien de verwijzende rechter van oordeel was dat hij geen voldoende overtuigend antwoord kon geven heeft hij vragen gesteld aan het EU-Hof.

Overweging:

De verwijzende rechter ondervindt moeilijkheden bij de beoordeling van de precieze inhoud van het arrest van het EU-Hof in de zaak C-688/18. Het EU-Hof heeft in de punten 47 en 48 van dat arrest geoordeeld dat er geen sprake is van schending van het recht van de beklaagde om persoonlijk aanwezig te zijn, wanneer deze bij een terechtzitting afwezig was, maar de in zijn afwezigheid verrichte handelingen daarna in zijn aanwezigheid worden herhaald. Het is voor de verwijzende rechter echter niet duidelijk welke betekenis het Hof toekent aan het vereiste dat deze handelingen worden ‘herhaald’. Punt 47 spreekt van een ‘aanvullend getuigenverhoor’, waardoor het eerdere verhoor relevant blijft. Punt 48 spreekt van ‘handelingen die zijn herhaald’, hetgeen volgens de verwijzende rechter doet vermoeden dat het eerdere verhoor niet relevant is. De verwijzende rechter wil daarom van het EU-Hof weten of in aanwezigheid van de beklaagde extra onderzoeksmaatregelen (aanvullend verhoor) moeten worden uitgevoerd of dat de onderzoeksmaatregelen moeten worden herhaald met inbegrip van de vragen die door de andere partijen tijdens de eerdere terechtzittingen zijn gesteld. Daarnaast vraagt de rechter aan het EU-Hof of een schending van het recht op verdediging door een advocaat kan worden hersteld door extra onderzoeksmaatregelen (aanvullend verhoor) te gelasten of dat de onderzoeksmaatregelen die tijdens eerdere terechtzittingen zijn uitgevoerd, moeten worden herhaald.

Prejudiciële vragen:

Wordt het recht van de beklaagde om persoonlijk aanwezig te zijn, overeenkomstig artikel 8, lid 1, junctis artikel 10, lid 1, en overweging 44 van richtlijn 2016/343, geëerbiedigd wanneer een getuige in afwezigheid van de beklaagde werd verhoord tijdens een afzonderlijke terechtzitting, maar de beklaagde tijdens de daaropvolgende terechtzitting de mogelijkheid had deze getuige te ondervragen, doch verklaarde geen vragen te hebben, of wordt het recht om persoonlijk aanwezig te zijn slechts geëerbiedigd indien dat verhoor in zijn geheel wordt herhaald, met inbegrip van de vragen van de bij het eerste verhoor aanwezige andere partijen?

Wordt het recht op verdediging door een advocaat, overeenkomstig artikel 3, lid 1, juncto artikel 12, lid 1, van richtlijn 2013/48 geëerbiedigd wanneer twee getuigen in afwezigheid van de advocaat werden verhoord tijdens twee afzonderlijke terechtzittingen, maar deze tijdens de daaropvolgende terechtzitting de mogelijkheid had beide getuigen te ondervragen, of wordt het recht op verdediging door een advocaat slechts geëerbiedigd indien beide verhoren, met inbegrip van de vragen die door de andere partijen tijdens het eerste verhoor zijn gesteld, in hun geheel worden herhaald en de op beide vorige terechtzittingen afwezige advocaat de gelegenheid krijgt zijn vragen te stellen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-688/18 (TX en UW)

Specifiek beleidsterrein: JenV