C-352/21 A1 et A2 

Contentverzamelaar

C-352/21 A1 et A2 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     3 augustus 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     20 september 2021

Trefwoorden : forumkeuzebeding; verzekeringsovereenkomst

Onderwerp :

•          Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-verordening)

•          Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings en het herverzekeringsbedrijf (solvabiliteit II-richtlijn)

Feiten:

Verzoekers, die in Denemarken wonen, hebben in 2013 een tweedehandszeilboot gekocht van een handelaar in Nederland. Voor deze zeilboot hebben verzoekers een aansprakelijkheids- en cascoverzekering afgesloten bij de in Nederland gevestigde verwerende verzekeringsmaatschappij. In het aanvraagformulier voor de verzekering hebben zij aangegeven dat de thuishaven van de zeilboot in Denemarken zou zijn en dat de boot uitsluitend voor privé- en recreatieve doeleinden zou worden gebruikt. In de verzekeringsvoorwaarden staat opgenomen dat geschillen kunnen worden voorgelegd aan de bevoegde rechterlijke instantie in Nederland. In 2018 is de zeilboot aan de grond gelopen. Toen de zeilboot in het voorjaar van 2019 aan wal werd gebracht, hebben verzoekers schade aan de kiel en de romp ontdekt. Na een inspectie heeft de verzekeringsmaatschappij geweigerd de gemelde schade te vergoeden. Verzoekers hebben daarop bij de rechter van hun woonplaats in Denemarken een procedure ingesteld tegen de verzekeringsmaatschappij tot vergoeding van de schade. De verzekeringsmaatschappij heeft betoogd dat de vordering niet-ontvankelijk was omdat deze onder het in de verzekeringsvoorwaarden opgenomen forumkeuzebeding viel en dus in Nederland moest worden ingesteld.

Overweging:

De rechter in eerste aanleg heeft de door de verzekeringsmaatschappij opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid aanvaard. Bij de rechter in eerste aanleg is vast komen te staan dat de vraag over de rechterlijke bevoegdheid moet worden beantwoord op basis van afdeling 3 van de Brussel I-verordening betreffende de bevoegdheid in verzekeringszaken. In de motivering van zijn beslissing heeft de rechter in eerste aanleg onder meer overwogen dat artikel 11, lid 1, onder b) van de Brussel-I verordening de algemene regel bevat volgens welke verzoekers in beginsel bij de rechterlijke instantie van hun woonplaats een vordering kunnen instellen tegen verweerster.  De vraag is of het door partijen gemaakte forumkeuzebeding geldig is, aangezien de vordering in dit geval moet worden ingesteld bij een Nederlandse rechterlijke instantie. Op grond van artikel 15, punt 5, van de Brussel I-verordening kan van afdeling 3 van deze verordening worden afgeweken door overeenkomsten betreffende een verzekeringsovereenkomst, voor zover daarmee een of meer van de in artikel 16 bedoelde risico’s worden gedekt. In artikel 16 worden risico’s opgesomd en volgens artikel 16, punt 5, behoren tot deze risico’s, behoudens de punten 1 tot en met 4, alle ,grote risico’s’ zoals omschreven in de Solvabiliteit II-richtlijn. Artikel 13 van de Solvabiliteit II-richtlijn bevat een lange lijst van definities, waarbij onder ,grote risico’s’ de risico’s die behoren tot de in bijlage I, deel A, 4, 5, 6, 7, 11 en 12, vermelde branches’ vallen. Volgens de Deense wet  tot omzetting van de Solvabiliteit II-richtlijn, heeft verzekeringsbranche 6 betrekking op ,casco zee- en binnenschepen: alle schaden toegebracht aan binnenschepen, schepen voor de vaart op meren en zeeschepen’. Volgens de taalkundige betekenis hiervan valt de zeilboot onder verzekeringsbranche 6. Tegen deze achtergrond is de rechter in eerste aanleg van oordeel dat de verzekeringsovereenkomst de ,grote risico’s’ dekt. Verzoekers hebben tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld, omdat het schip volgens hen niet onder artikel 16, punt 5 van de Brussel I-verordening valt, aangezien het een pleziervaartuig betreft. Volgens de verwijzende rechter bestaat er twijfel over de vraag of artikel 16, punt 5 van de Brussel I-verordening inhoudt dat een cascoverzekering voor pleziervaartuigen die niet voor handelsdoeleinden worden gebruikt, onder die bepaling valt.

Prejudiciële vragen:

Moet artikel 15, punt 5, van de Brussel I-verordening, gelezen in samenhang met artikel 16, punt 5, ervan, aldus worden uitgelegd dat een cascoverzekering voor pleziervaartuigen die niet voor handelsdoeleinden worden gebruikt, onder de uitzondering van artikel 16, punt 5, van deze verordening valt, en is bijgevolg een verzekeringsovereenkomst met een forumkeuzebeding dat afwijkt van het in artikel 11 van die verordening neergelegde beginsel, geldig op grond van artikel 15, punt 5, van diezelfde verordening?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-803/18; C-368/16;

Specifiek beleidsterrein: JenV; FIN