C-356/21 TP

Contentverzamelaar

C-356/21 TP

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     3 augustus 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     20 september 2021

Trefwoorden : discriminatie; gelijke behandeling;

Onderwerp :

-           Verdrag betreffende de Europese Unie;

-           Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep;

Feiten:

Tussen 2010 en 2017 heeft verzoeker in het kader van zijn eenmanszaak samengewerkt met verweerster, die in Polen een openbare televisieomroep exploiteert. Deze samenwerking had de vorm van een aantal kortlopende dienstverleningsovereenkomsten, waarvan de laatste is gesloten in november 2017. Deze laatste overeenkomst had betrekking op een tweetal dienstperiodes van een week, die op 7 respectievelijk 21 december zouden aanvangen. Vervolgens heeft verzoeker, die homoseksueel is, met zijn partner een videoclip opgenomen bij een Pools kerstliedje. In deze videoclip is, in het kader van onlineactiviteiten ter bevordering van tolerantie, te zien hoe homoseksuele stellen kerstmis vieren. Verzoeker is vervolgens geïnformeerd dat zijn dienstperiodes geannuleerd zouden worden. Ook is er geen overeenkomst meer met hem gesloten voor een volgende periode. Verweerster heeft nooit geklaagd over de kwaliteit van het werk van verzoeker, noch is de indruk gewekt dat verzoeker na een op handen zijnde reorganisatie niet meer voor de omroep zou kunnen werken. Verzoeker ziet de publicatie van het kerstliedje als de vermoedelijke reden van de annulering van zijn dienstperiodes en het gebrek aan verlenging van de overeenkomst. Hij betoogt nu gediscrimineerd te zijn op grond van zijn seksuele geaardheid en vordert daarom een schadevergoeding vanwege schending van het recht op gelijke behandeling. Deze schending heeft de vorm van rechtstreekse discriminatie met betrekking tot de voorwaarden voor toegang tot of uitoefening van een economische activiteit krachtens civielrechtelijke overeenkomst. Daartegen betoogt verweerster dat zij het beginsel van gelijke behandeling niet heeft geschonden. Zij stelt dat op haar geen (wettelijke) plicht rustte om de dienstverleningsovereenkomst te verlengen, dat het besluit om een einde te maken aan de samenwerking met verzoeker is genomen door de verantwoordelijke van de reorganisatie, en dat de seksuele geaardheid van verzoeker reeds algemeen bekend was.

Overweging:

Art. 3 van richtlijn 2000/78 beschrijft de werkingssfeer van die richtlijn, die bescherming biedt tegen discriminatie ten aanzien van de voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst of als zelfstandige. Richtlijn 2000/78 definieert het begrip ‘arbeid als zelfstandige’ niet en preciseert niet in hoeverre dergelijke arbeid onder de door de richtlijn geboden bescherming dient te vallen. De vraag is of de bescherming van de richtlijn kan worden uitgesloten op basis van de bescherming van het recht van de medecontractant van een slachtoffer van discriminatie om vrij te beslissen met wie hij in het kader van een economische activiteit samen wil werken. De Poolse wet inzake gelijke behandeling sluit de keuzevrijheid van een contractpartij uit van de door deze wet geboden bescherming, voor zover deze keuze niet is gebaseerd op ras, geslacht, etniciteit of nationaliteit. Dit zou inhouden dat discriminatie op basis van seksuele geaardheid is toegestaan, mits die discriminatie tot uiting komt in de vrije keuze van de contractpartij. Volgens de verwijzende rechter moet de uitoefening van een economische activiteit in het kader van de door verzoeker geëxploiteerde eenmanszaak worden beschouwd als de verrichting van arbeid als zelfstandige in de zin van art. 3, lid 1, onder a, van richtlijn 2000/78/EG. Deze bepaling heeft volgens de verwijzende rechter tot doel om ook in een dergelijk geval bescherming te bieden tegen discriminatie op grond van seksuele geaardheid, nu het enkel op grond van diens seksuele geaardheid niet sluiten van een overeenkomst een beperking van de toegang tot arbeid als zelfstandige blijkt te zijn.

Prejudiciële vragen:

Moet artikel 3, lid 1, onder a) en c), van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB 2000, L 303, blz. 16) aldus worden uitgelegd dat de vrije keuze van een contractpartij, voor zover deze niet is gebaseerd op geslacht, ras, etnische afstamming of nationaliteit, van de werkingssfeer van deze richtlijn mag worden uitgesloten en dat bijgevolg tevens de toepassing van de sancties waarin het nationale recht krachtens artikel 17 van deze richtlijn voorziet mag worden uitgesloten, wanneer de gestelde discriminatie bestaat in de weigering tot het sluiten van een civielrechtelijke overeenkomst volgens welke werkzaamheden dienen te worden verricht door een natuurlijke persoon die als zelfstandige een economische activiteit uitoefent en deze weigering is gebaseerd op de seksuele geaardheid van de potentiële contractpartij?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK, SZW