C-357/20 Magistrat der Stadt Wien

Contentverzamelaar

C-357/20 Magistrat der Stadt Wien

Prejudiciële hofzaak C-357/20 Magistrat der Stadt Wien 

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     28 september 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     14 november 2020

Trefwoorden : habitat; natuurbehoud;

Onderwerp :

Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (habitatrichtlijn);

 

Feiten:

Verzoeker is werknemer van een projectontwikkelaar. Omdat verzoeker binnen de betrokken onderneming een bijzondere leidinggevende positie inneemt, moeten eventuele inbreuken die de onderneming maakt op de voorschriften van de Weense natuurbeschermingswet aan hem worden toegerekend wanneer hij niet aannemelijk kan maken dat hij alles heeft gedaan om die inbreuken te voorkomen. Verzoeker wordt verweten dat door zijn toedoen de projectontwikkelaar een bouwbedrijf heeft opgedragen bouwwerkzaamheden te verrichten die hebben geleid tot de vernieling of beschadiging van een rust- en/of voortplantingsplaats van veldhamsters, waardoor inbreuk is gemaakt op de verbodsbepaling van §10(3.4) van de Weense natuurbeschermingswet. Bij deze bepaling is artikel 12(1)d) van de habitatrichtlijn omgezet. Verzoeker betwist dat er een rust- en/of voortplantingsplaats van veldhamsters is vernield of beschadigd.

 

Overweging:

Verduidelijkt moet worden hoe de begrippen „rustplaats”, „voortplantingsplaats”, „beschadiging” en „vernieling” in artikel 12(1)d) van de habitatrichtlijn moeten worden uitgelegd. Volgens de verwijzende rechter is het tevens van belang om deze begrippen ten opzichte van elkaar af te bakenen. Aangezien § 10(3.4) van de Weense natuurbeschermingswet uit vier opzichzelfstaande strafbare feiten bestaat, moet elke inbreuk immers afzonderlijk worden bestraft. Volgens de verwijzende rechter is in het arrest in zaak C-477/19 met name niet verduidelijkt hoe een voortplantingsplaats van veldhamsters ruimtelijk en temporeel moet worden afgebakend. Wat de ruimtelijke afbakening betreft, rijst de vraag of onder een „voortplantingsplaats” uitsluitend de hamsterburcht moet worden verstaan of ook de omgeving daarvan (en, zo ja, in welke omvang). Wat de temporele afbakening betreft, rijst de vraag hoelang een plaats als „voortplantingsplaats” moet worden gekwalificeerd. In dit verband is niet duidelijk of daarbij de daadwerkelijke dan wel de denkbare periode van bewoning en van afhankelijkheid van de jongen relevant is.

 

Prejudiciële vragen:

1) Hoe moet het begrip „voortplantingsplaats” in de zin van artikel 12, lid 2, onder b), van de  habitatrichtlijn worden opgevat en hoe moet een „voortplantingsplaats” ten opzichte van andere plaatsen ruimtelijk worden afgebakend?

2) Aan de hand van welke factoren moet worden vastgesteld of het bestaan van een  voortplantingsplaats temporeel beperkt is en, zo ja, voor welke periode?

3) Aan de hand van welke criteria moet worden vastgesteld of een voortplantingsplaats is beschadigd of vernield door een bepaald handelen of nalaten?

4) Aan de hand van welke criteria moet worden vastgesteld of een „rustplaats” in de zin van artikel 12, lid 2, onder b), van de habitatrichtlijn is beschadigd of vernield?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-477/19;

Specifiek beleidsterrein: IenW