C-361/21 PET-PROM

Contentverzamelaar

C-361/21 PET-PROM

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    2 november 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    19 december 2021

Trefwoorden : transparantie rechterlijke macht, daadwerkelijke rechtsbescherming

Onderwerp :

-           Verdrag betreffende de Europese Unie

-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

Feiten:

Een Kroatische handelsrechter heeft op 28-2-2019 een vonnis gewezen waarbij de gedwongen tenuitvoerlegging van een beschikking die er onder meer toe strekte dat verzoeker een geldbedrag aan verweerster zou betalen. Verweerster heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld op grond van schending van een wezenlijk vormvoorschrift en onjuiste toepassing van het materiële recht. Verzoeker heeft in deze zaak beroep ingesteld naar aanleiding van de beschikking van 2-12-2016, waarbij hem was meegedeeld dat hij binnen vijftien dagen nadat de beschikking definitief was geworden, beroep kon instellen. Op 22-12-2020 is het hoger beroep verworpen en is het in eerste aanleg gewezen vonnis bevestigd. Volgens het reglement voor de procesvoering van de rechterlijke instanties geldt: “Voor een rechterlijke instantie in tweede aanleg wordt een zaak geacht te zijn afgedaan op het tijdstip waarop de beslissing vanuit het kantoor van de rechter wordt verzonden, nadat de zaak door de registratiedienst is teruggestuurd. Zodra de registratiedienst het dossier heeft ontvangen moet hij het zo spoedig mogelijk aan het kantoor van de rechter terugzenden. De beslissing wordt vervolgens binnen een nieuwe termijn van acht dagen verzonden”. Een beslissing van de rechtbanken in tweede aanleg is dus nog niet definitief op het tijdstip dat de bevoegde kamer beslist en een exemplaar van deze beslissing ondertekent. Daarnaast dient een meervoudige kamer, ingevolge de wet betreffende de rechterlijke organisatie, in overeenstemming met het tijdens de bijeenkomst van de afdeling ingenomen standpunt te beslissen.

Overweging:

De verwijzende rechter uit zijn twijfel over de regel die bepaalt dat alle rechters van een rechterlijke instantie gebonden zijn door het tijdens een bijeenkomst van de afdeling ingenomen principiële standpunt, aangezien de rechter om te beginnen niet zelf een kwestie op de agenda van de afdelingsbijeenkomst kan plaatsen, omdat die beslissing tot de bevoegdheid van de registratierechter en de voorzitter van een bepaalde afdeling behoort, die allen door de president van de rechterlijke instantie zijn benoemd. Deze twijfel vloeit voort uit het feit dat de onafhankelijkheid van de betrokken rechter teniet wordt gedaan en de beslissing wordt gegeven op het niveau van een “niet-bestaand orgaan”. Tevens is de regeling omtrent de registratiedienst in geen enkele wet opgenomen als voorwaarde voor de vaststelling van een rechterlijke beslissing, maar slechts in een reglement voor de rechterlijke macht. Volgens de verwijzende rechter blijkt niet dat bij andere rechterlijke instanties in de Europese Unie middels soortgelijke wetten of praktijken een gegeven beslissing moet worden goedgekeurd door een rechter die geen deel uitmaakt van de betrokken kamer, en die de toezending van de beslissing aan de procespartijen afhankelijk stellen van de medeondertekening door deze rechter.

Prejudiciële vragen:

1. Is de in het tweede deel van de eerste volzin en in de tweede volzin van artikel 177, lid 3, van het reglement voor de procesvoering van de rechterlijke instanties (Narodne novine nr. 37/14, 49/14, 8/15, 35/15, 123/15, 45/16, 29/17, 33/17, 34/17, 57/17, 101/18, 119/18, 81/19, 128/19, 39/20 en 47/20) neergelegde regel die bepaalt dat ‚[v]oor een rechterlijke instantie in tweede aanleg [...] een zaak [wordt] geacht te zijn afgedaan op het tijdstip dat de beslissing vanuit het kantoor van de rechter wordt verzonden, nadat de zaak door de registratiedienst is teruggestuurd. Zodra de registratiedienst het dossier heeft ontvangen, moet hij het zo spoedig mogelijk aan het kantoor van de rechter terugzenden. De beslissing wordt vervolgens binnen een nieuwe termijn van acht dagen verzonden.’, in overeenstemming met artikel 19, lid 1, VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?

2. Is artikel 40, lid 2, van de wet betreffende de rechterlijke organisatie, dat bepaalt dat ‚[h]et juridische standpunt dat is ingenomen tijdens de bijeenkomst van alle rechters of van een afdeling van de Vrhovni sud Republike Hrvatske, de Visoki trgovački sud Republike Hrvatske, de Visoki upravni sud Republike Hrvatske, de Visoki kazneni sud Republike Hrvatske of de Visoki prekršajni sud Republike Hrvatske, of tijdens de bijeenkomst van een afdeling van een Županijski sud, [...] bindend [is] voor alle kamers of rechters in tweede aanleg van deze afdeling of rechtbank’, in overeenstemming met artikel 19, lid 1, VEU en artikel 47 van het van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-896/19;

Specifiek beleidsterrein: JenV