C-375/14 Laezza

Contentverzamelaar

Terug C-375/14 Laezza

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   27 januari 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   13 februari 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   13 maart 2015
Trefwoorden: vrije dienstverlening; vrije vestiging

Onderwerp: VWEU artikel 49 e.v. (vrije vestiging) en artikel 56 e.v. (dienstverlening)

In afwachting van het arrest in zaak C-463/13 (Stanley International Betting et Stanleybet Malta) is een groot aantal ITA verwijzingen op de plank gelegd. De behandeling van deze zaak wordt nu alsnog hervat.
Verzoekster Rosaria Laezza beheert een kantoor waar sportweddenschappen plaatsvinden. Zij krijgt in juni 2014 een controlebezoek van de compAut (ADM) die constateren dat verzoekster niet (meer) over de voorgeschreven concessie dan wel politievergunning beschikt die in de ITA regelgeving is voorgeschreven, hetgeen een strafbaar feit oplevert. Zij voert deze activiteiten uit voor rekening van een marktdeelnemer uit een andere EULS die naar is gebleken evenmin over de nodige vergunningen beschikt. Zij stelt beroep tot nietigverklaring in tegen de vervolgens opgelegde maatregel tot conservatoir beslag op een deel van de informatica-apparatuur die zij voor het ontvangen en het verzenden van sportweddenschappen in gebruik heeft omdat zij van mening is dat de ITA regeling inzake aanbestedingen voor de afgifte van concessies voor het inzamelen van weddenschappen onverenigbaar is met het EU-recht. Verzoekster bevestigt dat zij niet over de nodige vergunningen beschikt omdat haar opdrachtgever niet heeft deelgenomen aan de door de ADM uitgeschreven aanbesteding voor een concessie. Haar opdrachtgever stelt dat de aanbesteding onrechtmatig is omdat de erin gestelde eisen in strijd met het Unierecht zijn. Deze eisen zijn in ieder geval nadeliger dan de eerder in ITA regelgeving gestelde eisen. Over deze kwestie loopt nog een prejudiciële procedure (= zaak C-463/13) met door de ITA RvS gestelde vragen. (Verzoekster wijst ook nog op zaak C-210/14 waarin een vergelijkbare vraag als in C-463/13 wordt gesteld maar die zaak betreft één van bovengenoemde geschorste zaken). De verwijzende ITA rechter (Rb Frozinone) moet, om ten gronde te kunnen beslissen over de litigieuze beslagmaatregel, een einde maken aan de twijfel die bij verzoekster is gerezen over de verenigbaarheid van de ITA regeling met EUR-recht, daarbij rekening houdend met de uitleg van het HvJEU in de arresten Costa en Cifone. Het HvJEU heeft daarin verduidelijkt dat een regeling die het inzamelen van weddenschappen beperkt, niet onverenigbaar is met het Unierecht voor zover dergelijke beperkingen evenredig zijn en kunnen worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang. Hij onderschrijft dan ook niet de stelling van de uit een andere EULS afkomstige marktdeelnemer dat deze geen vergunning nodig zou hebben. Hij concludeert in tegenstelling tot de eerder door de ITA cassatierechter aangenomen zienswijze dat de bepalingen van de betrokken aanbestedingsregeling inzake de (korte) looptijd van de concessies niet onverenigbaar lijken te zijn met het EUR-recht gezien de rechtvaardiging van de doelstellingen daarvan. Blijft over de door de buitenlandse marktdeelnemer gestelde onrechtvaardigheid dat er verschil in behandeling is met eerdere concessieaanvragers, met name de bepaling van de overdracht om niet.
Hij legt het HvJEU onderstaande vraag voor:
“Moeten de artikelen 49 e.v. en 56 e.v. van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, tegen de achtergrond van de beginselen die zijn vervat in het arrest van het Hof van Justitie [gevoegde zaken C-72/10 en C-77/10] van 16 februari 2012, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale bepaling die voorziet in de verplichte overdracht om niet van het gebruik van de in eigendom zijnde materiële en immateriële goederen die het beheer- en inzamelnetwerk van het spel vormen, in geval van beëindiging van de activiteit als gevolg van het verstrijken van de looptijd van de concessie of als gevolg van het verval of de intrekking van de concessie?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-338/04, C-359/04 en C-360/04 Placanica ea; C-72/10 en C-77/10 Costa e.a.
Specifiek beleidsterrein: VenJ mede EZ

Gerelateerde documenten