C-376/21 Obshtina Razlog  

Contentverzamelaar

C-376/21 Obshtina Razlog  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     22 september 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     8 november 2021

Trefwoorden : overheidsopdrachten; Europese Structuur- en Investeringsfondsen; mededinging

Onderwerp :

-           Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van verordeningen […];

-           Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002;

-           Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG;

Feiten:

Bij overeenkomst van 09-12-2016 tussen de gemeente Razlog en de managementautoriteit van het operationele programma “Regio’s in groei 2014-2020” is aan de gemeente financiële steun verleend voor de uitvoering van een projectvoorstel. De gemeente Razlog volgde eerst een procedure voor de aanbesteding van een overheidsopdracht, te weten een uit vier percelen bestaande openbare aanbesteding. Bij besluit van 01-11-2017 is de procedure ten aanzien van perceel nr. 2 stopgezet, aangezien slechts één inschrijving was ingediend, die niet overeenstemming was met de vooraf bekendgemaakte voorwaarden van de opdracht. Bij besluit van 01-12-2017 heeft de aanbestedende dienst een nieuwe procedure geopend voor hetzelfde voorwerp, maar nu als “onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking” omdat er geen geschikte inschrijving was ingediend en de oorspronkelijke voor het stopgezette perceel bekendgemaakte voorwaarden van de opdracht niet waren gewijzigd. In deze procedure zonder voorafgaande bekendmaking heeft de aanbestedende dienst slechts één ondernemer voor onderhandelingen uitgenodigd waarmee uiteindelijk ook de overeenkomst tot uitvoering van overheidsopdracht nr. 681 is gesloten. Bij het Ministerie voor Regionale Ontwikkeling en Infrastructuur is een klacht binnengekomen over de onregelmatige wijze waarop de procedure is gevolgd omdat slechts één ondernemer was uitgenodigd. De managementautoriteit heeft jegens de gemeente Razlog een financiële correctie vastgesteld ten belope van 10% van de subsidiabele kosten uit de gesloten overeenkomst nr. 681. De gemeente Razlog heeft hierop beroep ingesteld bij de bestuursrechter in eerste aanleg, die het besluit nietig heeft verklaard wegens schending van het materiële recht. Thans behandelt de hoogste bestuursrechter (de verwijzende rechter) het door het hoofd van de managementautoriteit ingestelde cassatieberoep tegen de beslissing van de bestuursrechter in eerste aanleg.

Overweging:

Gelet op het gebrek aan uniformiteit van de nationale rechtspraak wenst de verwijzende rechter de uitlegging van artikel 160(2) en artikel 164(1)d) van verordening 2018/1046 en van artikel 32(2-5) van richtlijn 2014/24 te verduidelijken met betrekking tot de onderhavige zaak. Het antwoord op de prejudiciële vragen is van belang voor de definitieve beantwoording van de litigieuze vraag of er in casu sprake is van schending van de beginselen van gelijke behandeling, non-discriminatie en vrije mededinging alsmede van de regels voor de gunning van de overheidsopdracht.

Prejudiciële vragen:

1) Moeten artikel 160, leden 1 en 2, van verordening 2018/1046 alsmede artikel 102, leden 1 en 2, van verordening nr. 966/2012 aldus worden uitgelegd dat zij ook gelden voor aanbestedende diensten van de lidstaten van de Europese Unie, wanneer de door hen aanbestede overheidsopdrachten met middelen uit de Europese Structuur- en Investeringsfondsen (ESIF) worden gefinancierd?

2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: Moeten de in artikel 160, lid 1, van verordening 2018/1046 en in artikel 102, lid 1, van verordening nr. 966/2012 verankerde beginselen van transparantie, evenredigheid, gelijke behandeling en non-discriminatie aldus worden uitgelegd dat deze bij de aanbesteding van een overheidsopdracht niet in de weg staan aan een volledige beperking van de mededinging door een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, wanneer het voorwerp van de overheidsopdracht geen specifieke kenmerken heeft die objectief gezien ertoe nopen dat deze alleen wordt uitgevoerd door de ondernemer die is uitgenodigd voor onderhandelingen?

Moeten met name artikel 160, leden 1 en 2, juncto artikel 164, lid 1, onder d), van verordening 2018/1046 en artikel 102, leden 1 en 2, juncto artikel 104, lid 1, onder d), van verordening nr. 966/2012 aldus worden uitgelegd dat deze niet in de weg staan aan een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die inhoudt dat de aanbestedende dienst na de stopzetting van een aanbestedingsprocedure op grond dat de enige ingediende inschrijving ongeschikt is, slechts één ondernemer tot deelneming aan een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking kan uitnodigen, wanneer het voorwerp van de overheidsopdracht geen specifieke kenmerken heeft die objectief gezien ertoe nopen dat deze alleen wordt uitgevoerd door de ondernemer die is uitgenodigd voor de onderhandelingen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK; BZK