C-377/21 Zone de secours Hainaut – Centre

Contentverzamelaar

C-377/21 Zone de secours Hainaut – Centre

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     25 augustus 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     11 oktober 2021

Trefwoorden : deeltijdarbeid; erkenning anciënniteit;

Onderwerp :

-           Richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid (hierna: raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid);

Feiten:

RM is in 2001 aangeworven als voltijds beroepsbrandweerman bij de stad Bergen. In 2015 is hij overgenomen door de hulpverleningszone Henegouwen Centrum, die bij de reorganisatie van brandweerdiensten is opgericht. Tussen 1982 en 2002 was hij voorts vrijwillig brandweerman in deeltijd bij de gemeente Moeskroen, terwijl hij in bepaalde perioden ook werkzaam was als chauffeur of bewaker. Bij de berekening van zijn anciënniteit hebben de stad Bergen en vervolgens de hulpverleningszone Henegouwen Centrum van zijn eerdere werkzaamheden 3 maanden en 17 dagen van zijn tijd als vrijwillig brandweerman in aanmerking genomen, en maximaal 6 jaar van zijn ervaring als chauffeur of bewaker als beroepservaring erkend. RM betwist de berekening en eist dat de volledige 20 jaar en 7 maanden van zijn status als vrijwillig brandweerman in deeltijd in aanmerking wordt genomen. Zijn eis dat zijn anciënniteit zou worden erkend is toegewezen door de rechter in eerste aanleg, die de anciënniteit van RM voor de periode 1982-2002 vastgesteld op 20 jaar en 7 maanden. De stad Bergen en de hulpverleningszone Henegouwen (appellanten) hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. RM stelt dat de periode waarin hij als vrijwillig brandweerman werkte volledig in aanmerking moet worden genomen en niet naar verhouding van de duur van de verrichte prestaties. Appellanten stellen dat de anciënniteit van RM is vastgesteld overeenkomstig de toepasselijke regelgeving, op basis van de datum van zijn aanstelling als voltijds brandweerman in april 2001. Ook stellen zij dat RM zich, nu hij een voltijdsmedewerker is, niet kan beroepen op wetgeving betreffende deeltijdwerkers. Subsidiair stellen zij voor om het Hof van Justitie een prejudiciële vraag voor te leggen over de uitleg van richtlijn 97/81/EG van de Raad (hierna: de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid), en met name clausule 4 hiervan.

Overweging:

De verwijzende rechter overweegt dat de voltijdregeling waarvoor RM is aangeworven er niet aan in de weg staat dat hij zich voor het vaststellen van zijn financiële anciënniteit (welke wordt gebruikt om de hoogte van zijn salaris te bepalen) beroept op wetgeving betreffende deeltijdwerkers voor de periode waarin hij in deeltijd heeft gewerkt. Vrijwillige brandweerlieden vallen volgens de verwijzende rechter krachtens clausule 2 van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid binnen de werkingssfeer van die raamovereenkomst, nu hun arbeidsverhouding door nationale regelgeving wordt bepaald. Bovendien stelt de verwijzende rechter dat de vaststelling van de financiële anciënniteit van deeltijdwerkers binnen de werkingssfeer van clausule 4 van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid valt. Clausule 4 van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid dient dan ook te worden uitgelegd, en met het oog hierop verwijst de rechter een prejudiciële vraag.

Prejudiciële vragen:

Moet clausule 4 van de raamovereenkomst die ten uitvoer is gelegd bij richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staat aan een nationale regeling die voor de berekening van het salaris van voltijdse beroepsbrandweerlieden de als vrijwillig brand weerman in deeltijd gepresteerde diensten als financiële anciënniteit in aanmerking neemt op basis van het werkvolume – dat wil zeggen de duur van de werkelijk verrichte prestaties – volgens het ‚pro rata temporis’- beginsel, en niet op basis van de duur van de periode waarbinnen de prestaties zijn verricht?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: SZW, EZK