C-387/20 OKR 

Contentverzamelaar

C-387/20 OKR 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     4 januari 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     21 februari 2021

Trefwoorden : toepasselijk recht; erfrechtverklaring; notarieel;

Onderwerp :

Verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, en betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring;

Feiten:

Het voorwerp van het hoofdgeding is het onderzoek van een klacht tegen de weigering van een notaris in Polen om een notariële akte te verlijden, namelijk een notarieel testament namens een Oekraïens onderdaan, waarin wordt voorzien in een rechtskeuzebeding voor het Oekraïense recht en in een aanpassing van de wettelijke volgorde van de erfopvolging naar Oekraïens recht.

Overweging:

Het verwijzende orgaan (geen rechterlijke instantie) formuleert twee vragen inclusief subvragen. De eerste vraag strekt ertoe vast te stellen of de personele werkingssfeer van artikel 22 van verordening 650/2012, op grond waarvan de erflater het recht van de staat waarvan hij de nationaliteit bezit, kan kiezen als het recht dat zijn erfopvolging in het geheel beheerst, zich ook uitstrekt tot een persoon die onderdaan is van een derde land. De tweede betreft de vaststelling, ingeval tussen een lidstaat en een derde staat een bilaterale overeenkomst is gesloten die weliswaar niet de rechtskeuze regelt maar het toepasselijke recht aanwijst, van de verhouding tussen die overeenkomst en verordening 650/2012 en van de invloed van deze hiërarchie der rechtsregels op de mogelijkheid voor een onderdaan van het betrokken derde land om op basis van artikel 22 juncto artikel 75 van verordening 650/2012 een rechtskeuze te doen.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 22 van [verordening nr. 650/2012] aldus worden uitgelegd dat ook een persoon die geen burger van de Europese Unie is, het recht van de staat waarvan hij de nationaliteit bezit, kan kiezen als het recht dat zijn erfopvolging in het geheel beheerst?

2. Moet artikel 75 juncto artikel 22 van verordening nr. 650/2012 aldus worden uitgelegd dat, wanneer een tussen een lidstaat en een derde staat gesloten bilaterale overeenkomst niet voorziet in een rechtskeuze inzake erfopvolging maar het toepasselijke recht inzake erfopvolging aanwijst, een onderdaan van een dergelijke derde staat die zijn woonplaats heeft in de lidstaat die door deze bilaterale overeenkomst is gebonden, een rechtskeuze kan doen?

Meer in het bijzonder:

- moet een bilaterale overeenkomst met een derde land de keuze van een bepaald recht uitdrukkelijk uitsluiten in plaats van louter het recht dat van toepassing is op de erfopvolging te regelen aan de hand van objectieve aanknopingsfactoren opdat de bepalingen ervan voorrang hebben op artikel 22 van verordening nr. 650/2012?

- is de vrijheid om het erfrecht te kiezen en zodoende door middel van een rechtskeuze één enkel toepasselijk recht te bepalen - althans op het door de Uniewetgever in artikel 22 van verordening nr. 650/2012 bepaalde gebied – een van de beginselen die ten grondslag liggen aan de justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken binnen de Europese Unie die niet kunnen worden geschonden, zelfs niet wanneer bilaterale overeenkomsten met derde landen die voorrang hebben op verordening nr. 650/2012 van toepassing zijn?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV