C-390/21 ADPA et Gesamtverband Autoteile-Handel

Contentverzamelaar

C-390/21 ADPA et Gesamtverband Autoteile-Handel

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     16 augustus 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     2 oktober 2021

Trefwoorden : typegoedkeuringen; toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie; prijsformule; schending mededingingsregels; oneerlijke handelspraktijken;

Onderwerp :

-           Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van richtlijn 2007/46/EG;

-           Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen;

-           Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie;

Feiten:

Verzoeksters zijn Belgische en Duitse brancheorganisaties van respectievelijk onafhankelijke uitgevers van technische informatie en groothandelsbedrijven in reserveonderdelen. Verweersters zijn onderdeel van automobielconcern Groupe PSA en houden beide typegoedkeuringen, in de zin van art. 3, punt 2, van verordening 2018/858 respectievelijk art. 10 van verordening 715/2007, voor voertuigen van het merk Peugeot. Verweersters verlenen toegang tot reparatie –en onderhoudsinformatie, in de zin van bijlage X, punt 2.5. van verordening 2018/858, die betrekking heeft op hun voertuigen met typegoedkeuring via een gemeenschappelijke databank welke kan worden geraadpleegd middels een webportaal. Het gebruik van de databank wordt aan onafhankelijke marktdeelnemers aangeboden tegen een uniforme vaste vergoeding op basis van getrapte bedragen die zijn gebaseerd op de duur van de toegang. Hierbij betalen onafhankelijke marktdeelnemers onder gelijke omstandigheden dezelfde vergoeding. Voor onafhankelijke uitgevers van technische informatie gelden aparte voorwaarden en wordt de hoogte van de vergoeding voor iedere uitgever van technische informatie afzonderlijk vastgesteld. Het bedrag wordt bepaald aan de hand van een Sigma prijsformule, die verschillende variabelen kent. De met die formule berekende vergoeding heeft niet alleen betrekking op de technisch-organisatorische toegang tot de reparatie- en onderhoudsinformatie, maar ook op de toestemming voor het commerciële hergebruik van technische informatie door de onafhankelijke uitgevers op de aftermarket voor motorvoertuigen. Verzoeksters komen op tegen de door verweersters, op basis van de prijsformule, gevraagde vergoeding en stellen in dat kader dat de handelswijze van verweersters art. 63, lid 1, van verordening 2018/858 schendt. Daardoor zou er sprake zijn van schending van de nationale mededingingsregels en het nationale recht inzake eerlijke handelspraktijken.

Overweging:

Volgens de verwijzende rechter moet er, om op het beroep te kunnen beslissen, duidelijkheid worden verschaft over de werkingssfeer van verordening 2018/858 ten aanzien van oude voertuigen. Duidelijk moet daarmee worden of deze onder art. 61 e.v. van verordening 2018/858 vallen, of onder art. 6 e.v. van verordening 715/2007. Voor de toepasselijkheid van art. 61 e.v. pleiten de intrekking van art. 6 e.v. van verordening 715/2007 en overweging 50 alsook art. 86, lid 2, van verordening 2018/858. Bovendien acht de verwijzende rechter het waarschijnlijk dat de plicht van de fabrikant om toegang te verlenen tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreffende voertuigen toekomstgericht en veranderlijk is. Wel werpt dit de vraag op of het gewettigd vertrouwen van de fabrikanten, het Unierechtelijk verbod op terugwerkende kracht, de mogelijke onredelijkheid van niet-vergoede verzwaring van de voor oude voertuigen geldende verplichtingen en art. 6, lid 7, van verordening 715/2007 hieraan in de weg kunnen staan. Daarnaast dient volgens de verwijzende rechter te worden verduidelijkt hoever de door fabrikanten te verlenen toegang reikt, en of deze omvat dat onafhankelijke uitgevers de reparatie- en onderhoudsinformatie mogen gebruiken voor de ontwikkeling en distributie van hun informatieproducten. Indien dit niet het geval is, dan vormt de door verweersters toegekende exploitatiebevoegdheid een aanvullende prestatie die buiten de werkingssfeer van de genoemde verordeningen valt. Er bestaan zowel argumenten voor als tegen de aanname dat het begrip “toegang” ook een exploitatiebevoegdheid omvat. Tot slot vraagt de verwijzende rechter zich nog af hoe het begrip ‘redelijke en evenredige vergoeding’ van art. 63, lid 1, in de gegeven omstandigheden dient te worden uitgelegd.

Prejudiciële vragen:

1) Zijn de bepalingen van hoofdstuk XIV van verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van richtlijn 2007/46/EG (artikelen 61 e.v., daaronder begrepen bijlage X) ook van toepassing op voertuigmodellen waarvoor reeds vóór 1 september 2020 voor het eerst typegoedkeuring is verleend op grond van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen?

Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord:

Is op deze „oude voertuigen” nog steeds hoofdstuk III van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen van toepassing en is op de vaststelling van de vergoedingen nog steeds met name artikel 7 van die verordening van toepassing?

2) Omvat het begrip „toegang” tot de genoemde informatie die fabrikanten moeten verlenen op grond van artikel 61, lid 1, van verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van richtlijn 2007/46/EG, de bevoegdheid van uitgevers van technische informatie als bedoeld in artikel 3, punt 45, van deze verordening om die informatie te exploiteren voor de taak die verband houdt met hun activiteiten in de aftermarkettoeleveringsketen, of vereist een dergelijke exploitatiebevoegdheid een afzonderlijke overeenkomst voor de afgifte van een exploitatie- en heruitgavelicentie, die dan niet onder artikel 63 van die verordening valt wat betreft de vergoeding die de fabrikant daarvoor vraagt?

Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord en bovendien hoofdstuk III van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen van toepassing is op oude voertuigen:

Omvat het begrip „toegang” tot de genoemde informatie die fabrikanten moeten verlenen op grond van artikel 6, lid 1, van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen, de bevoegdheid van uitgevers van technische informatie als bedoeld in artikel 3, punt 15, van deze verordening om die informatie te exploiteren voor de taak die verband houdt met hun activiteiten in de aftermarkettoeleveringsketen, of vereist een dergelijke exploitatiebevoegdheid een afzonderlijke overeenkomst voor de afgifte van een exploitatie- en heruitgavelicentie, die dan niet onder artikel 7 van die verordening valt wat betreft de vergoeding die de fabrikant daarvoor vraagt?

3) Moet het begrip „redelijke en evenredige vergoeding” in de zin van artikel 63, lid 1, eerste volzin, van verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van richtlijn 2007/46/EG aldus worden uitgelegd dat de fabrikant bij de vaststelling van de vergoeding alle onafhankelijke marktdeelnemers in de zin van artikel 3, punt 45, van die verordening gelijk moet behandelen ongeacht hun respectieve handelsactiviteiten?

Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord en bovendien hoofdstuk III van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen van toepassing is op oude voertuigen:

Moet het begrip „redelijke en evenredige vergoeding” in artikel 7, lid 1, eerste deel van de volzin, van verordening (EG) 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen aldus worden uitgelegd dat de fabrikant bij de vaststelling van de vergoeding alle onafhankelijke marktdeelnemers in de zin van artikel 3, punt 15, van die verordening gelijk moet behandelen ongeacht hun respectieve handelsactiviteiten?

Indien de derde prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord:

4) Moet het begrip „redelijke en evenredige vergoeding” in de zin van artikel 63, lid 1, eerste volzin, van verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van richtlijn 2007/46/EG aldus worden uitgelegd dat de vergoeding in beginsel alleen de door de fabrikant gemaakte kosten mag dekken?

Indien de eerste prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord en bovendien hoofdstuk III van verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen van toepassing is op oude voertuigen:

Moet het begrip „redelijke en evenredige vergoeding” in de zin van artikel 7, lid 1, eerste deel van de volzin, van verordening (EG) 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen aldus worden uitgelegd dat de vergoeding in beginsel alleen de door de fabrikant gemaakte kosten mag dekken?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-527/18 Gesamtverband Autoteile-Handel;

Specifiek beleidsterrein: IenW, EZK