C-394/20 Finanzamt V

Contentverzamelaar

C-394/20 Finanzamt V

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     7 oktober 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     23 november 2020

Trefwoorden : erfbelasting; verschil in behandeling;

Onderwerp : Artikelen 63, lid 1, en 65 VWEU;

 

Feiten:

Verzoekster is een Oostenrijks onderdaan. Zij is de dochter van erflater E, die ook een Oostenrijks onderdaan was die in Oostenrijk woonde. De erflater is eigenaar van drie bebouwde percelen en een onbebouwd perceel (gelegen in Duitsland). Bij een door hem opgemaakt testament heeft de erflater verzoekster tot zijn enige erfgenaam benoemd. Hij liet aan zijn echtgenote en zoon de legitieme portie na. Verzoekster heeft zich na het overlijden van de erflater in een overeenkomst betreffende de legitieme portie als enige erfgenaam ertoe verbonden om aan de echtgenote en zoon een bedrag te betalen ter honorering van hun aanspraken. In haar aangifte erfbelasting verzocht zij om de schulden ter zake van de legitieme portie als schulden van de nalatenschap in mindering te brengen van de waarde van haar erfrechtelijke verkrijging. De verwerende belastingdienst heeft verzoekster een aanslag in de erfbelasting opgelegd, waarbij hij alleen de in Duitsland gelegen percelen aan belasting heeft onderworpen. Hij heeft de aftrek van de legitieme porties als schulden van de nalatenschap afgewezen omdat zij niet in economisch verbond stonden met de genoemde percelen. Hiertegen is verzoekster in beroep gekomen bij de verwijzende rechter. Zij meent recht te hebben op een in de Duitse wetgeving bepaalde belastingvrije som van 400 000 EUR. Voorts meent verzoekster dat het in strijd met het Unierecht is om de door haar te betalen legitieme porties als schulden van de nalatenschap in aftrek te brengen.

 

Overweging:

De verwijzende rechter twijfelt of het verschil in behandeling door de Duitse wetgeving tussen ingezetenen en personen die niet in Duitsland wonen verenigbaar is met artikel 63, lid 1, juncto artikel 65 VWEU. Het Hof heeft ter zake van erfenissen reeds geoordeeld dat de maatregelen die ingevolge artikel 63 VWEU verboden zijn omdat zij het kapitaalverkeer beperken, mede de maatregelen omvatten die leiden tot waardevermindering van de erfernis van een ingezetene van een andere lidstaat dan die op het grondgebied waarvan de betrokken zaken zich bevinden en waar de overdracht door vererving wordt belast.

 

Prejudiciële vragen:

Moeten artikel 63, lid 1, en artikel 65 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling van een lidstaat inzake de heffing van erfbelasting, die met betrekking tot de berekening van de belasting bepaalt dat de belastingvrije som bij verkrijging van een op het grondgebied van deze lidstaat gelegen onroerend goed lager is wanneer de erflater op het tijdstip van zijn overlijden en de erfgenaam op dit tijdstip hun woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat hadden, dan die welke zou zijn toegepast indien ten minste één van hen op dat tijdstip zijn woonplaats of gewone verblijfplaats in de eerstgenoemde lidstaat zou hebben gehad?

 

Moeten artikel 63, lid 1, en artikel 65 VWEU aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling van een lidstaat inzake de heffing van erfbelasting, die met betrekking tot de berekening van de belasting bepaalt [Or. 2] dat schulden ter zake van legitieme porties bij verkrijging van een op het grondgebied van deze lidstaat gelegen onroerend goed niet aftrekbaar zijn wanneer de erflater op het tijdstip van zijn overlijden en de erfgenaam op dit tijdstip hun woonplaats of gewone verblijfplaats in een andere lidstaat hadden, terwijl die schulden volledig in aftrek hadden kunnen worden gebracht van de waarde van de erfrechtelijke verkrijging indien ten minste de erflater of de erfgenaam op het tijdstip van het overlijden van de erflater zijn woonplaats of gewone verblijfplaats in de eerstgenoemde lidstaat had gehad?

 

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-479/14); (C-181/12); Commissie/Duitsland (C-211/13); (C-513/03); Commissie/Griekenland (C-244/15); (C-364/01); (C-11/07); (C-43/07);

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal