C-397/21 HUMDA

Contentverzamelaar

C-397/21 HUMDA

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     18 augustus 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     4 oktober 2021

Trefwoorden : belasting over de toegevoegde waarde (btw); onverschuldigde betaling; teruggave

Onderwerp :

•          Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

Feiten:

De rechtsvoorganger van Carpathia (hierna: Carpathia) heeft als opdrachtgever van het project “Realisatie van het Hongaarse paviljoen op de wereldtentoonstelling in Milaan in 2015” gebruik gemaakt van de diensten van BHA. Carpathia heeft de facturen aan BHA betaald en BHA heeft de btw aan de Hongaarse belastingdienst afgedragen. De Hongaarse belastingdienst heeft echter vastgesteld dat de transactie is vrijgesteld van btw, omdat de transactie niet in het Hongaarse binnenland is verricht en dat de transactie daarom buiten de werkingssfeer van de Hongaarse btw-wet valt. Volgens de Hongaarse belastingdienst is de transactie namelijk verricht in Milaan (Italië). Carpathia kon de onverschuldigde betaalde btw niet door middel van een civielrechtelijke procedure terugvorderen van BHA, omdat BHA inmiddels in liquidatie verkeerde en de kans op terugbetaling volgens de curator nagenoeg nihil was. Om die reden heeft Carpathia een verzoek om teruggave van de btw ingediend bij de Hongaarse belastingdienst. De Hongaarse belastingdienst heeft het verzoek om teruggave afgewezen. Carpathia heeft bij de verwijzende rechter aangevoerd dat de afwijzing van haar verzoek om teruggave in strijd is met de fundamentele beginselen van richtlijn 2006/112 (de btw-richtlijn), namelijk het doeltreffendheidsbeginsel, het beginsel van fiscale neutraliteit en het non-discriminatiebeginsel, waaruit op zijn beurt het beginsel van het verbod op ongerechtvaardigde verrijking door een belastingdienst die onder het EU-recht valt, kan worden afgeleid. 

Overweging:

Het voorwerp van dit geding is de weigering van de Hongaarse belastingdienst om de aantoonbaar onverschuldigde btw terug te betalen aan de opsteller van de factuur (BHA) dan wel aan de ontvanger van de factuur (Carpathia). De verwijzende rechter wil ten eerste van het EU-Hof weten of de fundamentele beginselen van de btw-richtlijn zich verzetten tegen het niet terugbetalen van onverschuldigde betaalde btw aan de opsteller en de ontvanger van de factuur. Indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, vraagt de rechter aan het EU-Hof of de ontvanger van de factuur (Carpathia) zijn verzoek om teruggave van de onverschuldigde betaalde btw rechtstreeks moet kunnen richten aan de belastingdienst in plaats van de opsteller van de factuur (BHA). Met name is van belang of de ontvanger van de factuur uitsluitend over de in de vorige zin bedoelde mogelijkheid moet kunnen beschikken wanneer het onmogelijk of uiterst moeilijk is om de btw middels een civielrechtelijke procedure terug te vorderen van de opsteller van de factuur, omdat de opsteller inmiddels in liquidatie verkeert. Tenslotte wil de verwijzende rechter van het EU-Hof weten of de belastingdienst verplicht is om rente te betalen over de terug te betalen btw, en zo ja, over welke periode die rente moet worden betaald. In dit verband wil de rechter weten of de algemene regeling voor teruggaaf van btw van toepassing is op die terugbetaling.

Prejudiciële vragen:

1. Moeten de bepalingen van de btw-richtlijn en de daarmee samenhangende fundamentele beginselen, met name de beginselen van doeltreffendheid en fiscale neutraliteit, aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling en de daarop gebaseerde nationale praktijk volgens welke, indien een belastingplichtige bij vergissing een btw-factuur opstelt over een van btw vrijgestelde transactie, waarna de ontvanger van de factuur de btw aan de opsteller van de factuur betaalt en de opsteller van de factuur de over de transactie verschuldigde btw aantoonbaar aan de schatkist afdraagt, de nationale belastingdienst de btw noch aan de opsteller van de factuur, noch aan de ontvanger van de factuur terugbetaalt?

2. Indien het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de vorige vraag bevestigend is, moeten dan de bepalingen van de btw-richtlijn en de daarmee samenhangende fundamentele beginselen, met name de beginselen van doeltreffendheid, fiscale neutraliteit en non-discriminatie, aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die in het in de vorige vraag bedoelde geval niet mogelijk maakt dat de ontvanger van de factuur zijn verzoek tot teruggaaf van btw rechtstreeks tot de belastingdienst kan richten, of dit uitsluitend mogelijk maakt wanneer de terugvordering van het op de factuur vermelde btw-bedrag via een civielrechtelijke procedure onmogelijk of uiterst moeilijk is, vooral omdat de opsteller van de factuur inmiddels in liquidatie verkeert?

3. Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend is, is de belastingdienst van de lidstaat dan verplicht om over de terug te betalen btw rente te betalen, en zo ja, over welke periode, en is op de teruggaaf de algemene regeling voor teruggaaf van de btw van toepassing?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-564/15, C-691/17

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal