C-400/22 Conny  

Contentverzamelaar

Terug C-400/22 Conny  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    10 augustus 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    27 september 2022

Trefwoorden: huur, consumentenrechten, bestelling, betalingsverplichting

Onderwerp:

Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad

Feiten:

Verzoekster is een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die naar Duits recht incassodiensten mag verrichten. Zij heeft op basis van een overdracht van rechten door de huurder van een woning van verweerders (de verhuurders) rechtsvorderingen ingesteld wegens een vermeende overtreding van de beperking van de hoogte van de huurprijs. Tussen verweerders en huurder bestaat sinds 15-11-2018 een huurovereenkomst. Verzoekster biedt huurders van woningen via een door haar geëxploiteerde internetsite de mogelijkheid om haar, door te klikken op een knop met het opschrift „doorgaan”, „huurverlaging aanvragen” of „huurplafondbesparing veiligstellen”, opdracht te geven om rechtsvorderingen in te stellen tegen hun verhuurders, die met name strekken tot het verkrijgen van informatie, tot terugbetaling van te veel betaalde huur en tot nietigverklaring van de  overeenkomst over de hoogte van de huurprijs, voor zover deze de toegestane huurprijs overschrijdt. De huurder van de woning in kwestie had zich op deze internetsite geregistreerd, en op de door verzoekster voorziene „bestelknop” geklikt. Vervolgens had hij een door verzoekster ter beschikking gesteld formulier getekend. Dit formulier bevatte geen enkele verwijzing naar een betalingsverplichting van de huurder. Bij schrijven van 21-01-2020 diende verzoekster bij verweerders, onder verwijzing naar een opdrachtverlening en machtiging door de huurder, een klacht in wegens schending van de bepalingen inzake de beperking van de hoogte van de huurprijs, waarbij zij informatieverstrekking en terugbetaling vorderde. De vordering is door de rechter in eerste aanleg toegewezen. Verweerders hebben hiertegen hoger beroep ingesteld en betogen onder meer dat de door verzoekster gebruikte bestelknop onvoldoende duidelijk en dus in strijd is met de vereisten van § 312j, lid 3, tweede zin, BGB en artikel 8 van richtlijn 2011/83.

Overweging:

Overeenkomstig artikel 8, lid 2, tweede alinea, eerste zin, van richtlijn 2011/83 ziet de handelaar erop toe dat de consument bij het plaatsen van zijn bestelling, uitdrukkelijk erkent dat de bestelling een betalingsverplichting inhoudt. Volgens de verwijzende rechter is het onduidelijk of deze bepaling op de onderhavige zaak van toepassing is. Meer bepaald rijst de vraag of een op elektronische wijze gesloten overeenkomst op afstand ook een „betalingsverplichting” in de zin van deze bepaling „inhoudt”, indien een geldelijke tegenprestatie slechts onder bepaalde nadere voorwaarden – zoals uitsluitend in geval van succes of in het onzekere geval van een latere aanmaning jegens een derde – verschuldigd is. Het Bundesgerichtshof legt artikel 8, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2011/83 – evenals § 312j, leden 3 en 4, BGB – in de onderhavige context aldus uit dat aan de „beschermingsdoelstelling bij wijze van uitzondering geen afbreuk” wordt gedaan en de handelaar derhalve jegens de consument niet verplicht is om de bestelknop te voorzien van de vermelding „bestelling met betalingsverplichting”, wanneer „slechts onder bepaalde voorwaarden een geldelijke tegenprestatie verschuldigd is, namelijk uitsluitend in geval van succes.” Door andere Duitse rechters, alsook in de rechtsliteratuur, wordt daarentegen aan artikel 8, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2011/83 een aanzienlijk ruimere werkingssfeer toegekend. Volgens hen geldt deze bepaling ook voor rechtshandelingen waarbij de betalingsverplichting slechts indirect voortvloeit uit de sluiting van de overeenkomst, of gekoppeld is aan nadere voorwaarden of handelingen van de consument. De verwijzende rechter is geneigd laatstgenoemde opvatting te volgen.

Prejudiciële vraag:

Is het verenigbaar met artikel 8, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2011/83/EU, wanneer een nationale wettelijke bepaling (in casu § 312j, lid 3, tweede zin, en lid 4, BGB [Duits burgerlijk wetboek] in de van 13 juni 2014 tot 27 mei 2022 geldende versie) aldus wordt uitgelegd, dat de werkingssfeer ervan, net als die van artikel 8, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2011/83/EU, zich ook uitstrekt tot het geval waarin de consument op het moment van sluiting van een op elektronische wijze tot stand gekomen overeenkomst geen onvoorwaardelijke betalingsverplichting heeft, maar die verplichting pas ontstaat onder bepaalde nadere voorwaarden – bijvoorbeeld uitsluitend indien een rechtsvordering die de handelaar in opdracht van de consument heeft ingesteld, achteraf succesvol is, of indien achteraf een aanmaning aan een derde wordt gezonden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-249/21),

Specifiek beleidsterrein: EZK