C-404/22 Ethnikos Organismos Pistopoiisis Prosonton & Epangelmatikou Prosanatolismou

Contentverzamelaar

Terug C-404/22 Ethnikos Organismos Pistopoiisis Prosonton & Epangelmatikou Prosanatolismou

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    15 augustus 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    1 oktober 2022

Trefwoorden: privaatrechtelijke rechtspersonen, economische activiteit, werknemers

Onderwerp:

Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap

Feiten:

In 2011 zijn bij gemeenschappelijk ministerieel besluit de privaatrechtelijke rechtspersonen EKEPIS en EKEP gefuseerd met en opgegaan in de privaatrechtelijke rechtspersoon EOPP en hielden zij op te bestaan als zelfstandige rechtspersonen. Bij ditzelfde gemeenschappelijke ministerieel besluit werd de EOPP omgedoopt tot EOPPEP. Met de oprichting van EOPPEP werden onder andere twee werknemers van EKEPIS overgeplaatst, met name P.M. en D.M. Bij bestuursbesluit van 16-02-2012 werd P.M. aangesteld als tijdelijk hoofd van de afdeling Certificering van kwalificaties en D.M. als tijdelijk plaatsvervangend hoofd van de directie Financieel-bestuurlijke diensten en tijdelijk hoofd van de afdeling Financiën. Bij besluit van 14-02-2018 werd D.M. uit haar functie van hoofd van de directie Financieel-bestuurlijke diensten ontheven omdat zij noch in staat was geweest om op correcte wijze, volgens de geldende wetgeving en het „eindverslag” van de nationale Algemene Rekenkamer, de bezoldiging van de werknemers vast te stellen, noch om een loonlijst van het personeel van verzoekster vast te stellen. Bij besluit van 21-02-2018 heeft het bestuur van verzoekster P.M. ontheven uit haar functie als tijdelijk hoofd van de afdeling Certificering van kwalificaties, maar zij is bij deze afdeling als werknemer blijven werken. P.M. en D.M. verzochten respectievelijk bij het hoofd van de arbeidsinspectie om instelling van een arbeidsgeschillenprocedure. Deze stelde na een onderzoek bij verzoekster vast dat zij de door p.d. nr. 240/2006 voorgeschreven verplichtingen van informatieverstrekking aan en raadpleging van de vereniging van werknemers van de organisatie over de verwijdering van de werknemers in kwestie uit leidinggevende functies niet was nagekomen. Op grond van deze bevindingen van de inspectie legde het hoofd van de arbeidsinspectie verzoekster een boete op van 2 250 EUR wegens schending van artikel 4, leden 2, 3 en 4, van p.d. nr. 240/2006. Verzoekster stelde beroep tot nietigverklaring in tegen het besluit tot oplegging van de boete, zij betoogt onder meer a) dat zij geen onderneming is die een economische activiteit uitoefent, aangezien zij bij het verrichten van haar taak van certificering van opleidingsinstellingen een publiekrechtelijke bevoegdheid uitoefent, b) dat P.M. en D.M. bij de oprichting van EOPPEP waren benoemd als tijdelijk hoofd van een afdeling respectievelijk een directie, en op de hoogte waren van het tijdelijke karakter van deze aanstelling, en c) dat de litigieuze schending twee opzichzelfstaande individuele gevallen betreft, waarop de informatie- en raadplegingsprocedure niet van toepassing is en waarin verzoekster haar bestuursbevoegdheid uitoefent.

Overweging:

Volgens de rechtspraak van de Griekse Raad van State, handelt verzoekster, een privaatrechtelijke rechtspersoon, tijdens de uitoefening van haar bevoegdheid tot certificering van opleidingsinstellingen als publiekrechtelijke rechtspersoon en oefent zij een publiekrechtelijke bevoegdheid uit. Bij de uitoefening van die bevoegdheid valt zij niet onder het begrip van onderneming die een „economische activiteit” uitoefent in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2002/14. Voor sommige van de overige activiteiten van verzoekster, met name de verlening van allerlei diensten op het gebied van beroepsvoorlichting aan de bevoegde organen van ministeries, diverse instellingen die beroepsopleidingen aanbieden, ondernemingen en werkgevers- en werknemersorganisaties, kan niet worden uitgesloten dat er markten bestaan waarop handelsondernemingen actief zijn die met verzoekster concurreren. Voorts bestaat volgens artikel 4, lid 2, onder b), van richtlijn 2002/14, een verplichting tot informatie en raadpleging van de werknemers voor onderwerpen betreffende de „situatie”, de „structuur” en de „waarschijnlijke ontwikkeling van de werkgelegenheid” binnen de onderneming, alsmede over „eventuele geplande anticiperende maatregelen met name in geval van bedreiging van de werkgelegenheid”. De verwijzende rechter twijfelt over de uitlegging van de termen „situatie”, „structuur” en „waarschijnlijke ontwikkeling van de werkgelegenheid”, in de zin van artikel 4, lid 2, onder b), van de richtlijn.

Prejudiciële vragen:

1a) Wat is de betekenis van de term „onderneming die een ,economische activiteit’ uitoefent”, in artikel 2, onder a), van richtlijn 2002/14/EG?

b) Omvat dit begrip rechtspersonen naar privaatrecht, zoals EOPPEP, die bij de uitoefening van de bevoegdheid tot certificering van instellingen die beroepsopleidingen verzorgen, handelt als rechtspersoon naar publiekrecht en een publiekrechtelijke bevoegdheid uitoefent, voor zover i) voor sommige van de activiteiten ervan, met name in casu de verlening van allerlei diensten op het gebied van beroepsvoorlichting aan de bevoegde organen van ministeries, diverse instellingen die beroepsopleidingen aanbieden, ondernemingen en werkgevers- en werknemersorganisaties [artikel 14, lid 2, onder ib), van wet nr. 4115/2013, FEK Α’ 24], niet kan worden uitgesloten, gezien het in artikel 14, lid 2, onder ie), van deze wet bepaalde betreffende de vaststelling van de landelijk geldende voorwaarden voor de verstrekking van adviezen en beroepsvoorlichting door natuurlijke en rechtspersonen, dat er een markt bestaat waarop handelsondernemingen actief zijn die met verzoekster concurreren, en ii) volgens artikel 23, lid 1, onder d), van voornoemde wet, tot de middelen van verzoekster ook de inkomsten behoren uit de verrichting van werkzaamheden en de verlening van diensten die hetzij haar zijn opgedragen door het ministerie hetzij worden verricht voor rekening van derden, zoals met name openbare diensten, nationale en internationale organisaties, rechtspersonen naar publiek- of privaatrecht en particulieren, terwijl iii) als tegenprestatie voor de verlening van de overige in artikel 20 van wet nr. 4115/2013 omschreven diensten een vergoeding verschuldigd is?

c) Is voor de beantwoording van de vorige vraag van belang dat de privaatrechtelijke rechtspersoon slechts enkele van zijn verschillende activiteiten (artikel 14, lid 2, van wet nr. 4115/2013) verricht als marktdeelnemer, en zo ja, volstaat het dat de wetgever erin heeft voorzien [artikel 14, lid 2, onder ib), en artikel 23, lid 1, onder d), van wet nr. 4115/2013] dat verzoekster althans ten dele als marktdeelnemer handelt, of dient te worden aangetoond dat zij bij een specifieke activiteit daadwerkelijk handelt als marktdeelnemer?

2a) Wat is de betekenis van de termen „situatie”, „structuur” en „waarschijnlijke ontwikkeling van de werkgelegenheid” bij de onderneming in artikel 4, lid 2, onder b), van richtlijn 2002/14/EG, in verband waarmee een verplichting tot informatie en raadpleging van de werknemers bestaat?

b) Omvatten die termen de situatie waarin na de vaststelling van het interne reglement van de rechtspersoon, in casu EOPPEP, werknemers worden ontheven uit leidinggevende functies die niet bij het reglement waren opgeheven en waarin zij tijdelijk waren aangesteld na een fusie waarin privaatrechtelijke rechtspersonen, EKEPIS en EKEP, waren opgegaan in de entiteit, zodat deze verplicht is om de werknemers te informeren en te raadplegen alvorens voormelde werknemers uit hun functie te verwijderen?

c) Is voor de beantwoording van deze vraag van belang i) dat de goede werking van de rechtspersoon en het dienstbelang ervan zijn aangevoerd als reden voor de ontheffing van een werknemer uit een leidinggevende functie, zodat deze rechtspersoon de doelstellingen kan bereiken waarvoor zij is opgericht, of dat de gebrekkige vervulling van de taken als tijdelijk hoofd de reden voor de ontheffing is ii) dat de werknemers die uit hun leidinggevende functies zijn ontheven in dienst zijn gebleven van de rechtspersoon, dan wel iii) dat bij hetzelfde besluit van het bevoegde orgaan waarbij personen uit leidinggevende functies werden ontheven, andere personen tijdelijk in leidinggevende functies werden aangesteld?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Betriebsrat der Ruhrlandklinik (C-216/15), Manpower Lit (C-948/19), (C-108/10),  (C-475/99), (C-372/09 en C-373/09), (C-72/91 en C-73/91) (24/86), Conclusie van advocaat-generaal V. Trstenjak van 7 juli 2011, KHS AG (C-214/10)

Specifiek beleidsterrein: SZW, EZK