C-409/21 DELID

Contentverzamelaar

C-409/21 DELID

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    29 september 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    15 november 2021

Trefwoorden : plattelandsontwikkeling; steun; vereisten; minimale standaardopbrengst; uitoefening veehouderijactiviteit

Onderwerp :

•          Verordening (EU)  nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de  Raad van   17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1083/2006 van  de  Raad;

•          Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad;

•          Verordening (EU)  nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de  Raad van   17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG)  nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad;

•          Verordening (EU)  nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de  Raad van   17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad;

•          Verordening (EG) nr. 1242/2008 van de Commissie van 8 december 2008 houdende invoering van een communautaire typologie van de landbouwbedrijven.

Feiten:

DELID is een Bulgaarse vennootschap en beschikt niet over een eigen geregistreerd veehoudersbedrijf. De vennootschap fokte 500 eenden in een veehoudersbedrijf dat geregistreerd staat op naam van Business Park Manole. Volgens het certificaat van registratie van dat veehoudersbedrijf is het bedrijf bestemd voor het fokken van 20.000 Mulard-eenden. De fraudebestrijdingsafdeling van het Bulgaarse staatsfonds voor landbouw (FBA) heeft de door DELID ingediende steunaanvraag met als onderwerp de ‘aankoop van uitrusting voor een pluimveebedrijf’ afgewezen. De FBA stelde vast dat op het moment van inspectie het veehoudersbedrijf niet functioneerde en niet geregistreerd stond op naam van DELID, er geen dieren op het bedrijf aanwezig waren, twee andere Bulgaarse bedrijven soortgelijke constructies met Business Park Manole hadden gesloten en de bedrijfsplannen van DELID en de twee andere bedrijven door middel van consultancy-activiteiten van dezelfde vennootschap waren opgesteld. Daarnaast stelde de FBA vast dat ENITAK grootaandeelhouder was van Business Park Manole en dat de eigenaar van ENITAK tevens algemeen directeur van DELID is. DELID heeft beroep en vervolgens hoger beroep bij de verwijzende rechter ingesteld tegen de afwijzing van de steunaanvraag.

Overweging:

De verwijzende rechter wil van het EU-Hof weten of twee artikelen van de Bulgaarse verordening over de toepassing van submaatregel 4.1 “Investeringen in landbouwbedrijven” van maatregel 4 “Investeringen in materiele activa” van het plattelandsontwikkelingsprogramma voor de periode 2014-2020 (hierna: Bulgaarse verordening) verenigbaar zijn met het EU-recht. Ten eerste de in artikel 8 van de Bulgaarse verordening gestelde voorwaarde dat de minimale standaardopbrengst van het bedrijf niet lager mag zijn dan het equivalent in leva (BGN) van 8.000 euro. De rechter in eerste aanleg had vastgesteld dat uit de boekhoudkundige rapporten blijkt dat DELID aan de minimale standaardopbrengst voldeed, maar dat goedgekeurde veterinaire rapporten de betrouwbaarheid van de aangegeven economische activiteiten weerleggen. Ten tweede de in artikel 26 van de Bulgaarse verordening gestelde voorwaarde dat de aanvrager de uitoefening van een veehouderijactiviteit moet aantonen door de inschrijving van een veehouderijbedrijf op naam van de aanvrager.  Volgens de rechter in eerste aanleg voerde DELID haar veehouderijactiviteiten (fokken) uit in een veehouderijbedrijf van Business Park Manole en was zij daardoor niet zelf eigenaar van een veehouderijbedrijf.

Prejudiciële vragen:

1) Is het verenigbaar met artikel 17 van verordening nr. 1305/2013 dat een nationale regeling zoals artikel 26 van Naredba nr. 9/2015, waarin een subsidiabiliteitsvereiste is vastgesteld voor aanvragers die steun aanvragen in het kader van submaatregel 4.1 „Investeringen in landbouwbedrijven” van de maatregel „Investeringen in materiële activa” van het plattelandsontwikkelingsprogramma voor de periode 2014-2020, vereist dat een certificaat van registratie van een veehouderijbedrijf op naam van de aanvrager wordt overgelegd als bewijs van de uitoefening van een veehouderijactiviteit voorafgaand aan de steunaanvraag in een door de aanvrager georganiseerd bedrijf in de zin van artikel 4 van verordening nr. 1307/2013, of is het voor de toepassing van de verordening voldoende dat de eigenaar van het landbouwbedrijf aantoont dat hij bezig is met het verkrijgen van de vereiste registratie van een veehouderijbedrijf op zijn naam?

2) Moet een vereiste in een nationale bepaling, zoals artikel 8, lid 1, punt 2, van Naredba nr. 9 van 21 maart 2015 betreffende de toepassing van submaatregel 4.1 „Investeringen in landbouwbedrijven” van maatregel 4 „Investeringen in materiële activa” van het plattelandsontwikkelingsprogramma voor de periode 2014-2020, op grond waarvan aanvragers moeten aantonen dat zij op het moment van de steunaanvraag beschikken over een minimale standaardopbrengst van het betreffende landbouwbedrijf, die niet lager mag zijn dan het equivalent in leva (BGN) van 8 000 EUR, verenigbaar worden geacht met de doelstelling van de steun in het kader van de maatregel „Investeringen in materiële activa” op grond van artikel 17 van verordening nr. 1305/201[3], met de prioriteiten van de Unie op het gebied van plattelandsontwikkeling overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 1305/2013 en met het begrip standaardopbrengst van een bedrijf in de zin van de ingetrokken verordening nr. 1242/2008 van de Commissie van 8 december 2008 houdende invoering van een communautaire typologie van de landbouwbedrijven?

3) Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, moet er dan van worden uitgegaan dat de nieuw geregistreerde eigenaren van landbouwbedrijven op het moment van de steunaanvraag in het kader van de maatregel „Investeringen in materiële activa” moeten worden uitgesloten van financiële steun op grond van verordening nr. 1306/2013?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: n.v.t.

Specifiek beleidsterrein: LNV; EZK