C-411/20 Familienkasse Niedersachsen-Bremen 

Contentverzamelaar

C-411/20 Familienkasse Niedersachsen-Bremen 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     28 oktober 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     14 december 2020

Trefwoorden : sociale zekerheid; kinderbijslag;

Onderwerp :

-           Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG;

-           Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels;

Feiten:

Verzoekster heeft samen met haar echtgenoot (V) 3 minderjarige kinderen, zij zijn allen Bulgaarse onderdanen. Uit de overgelegde bewijzen van inschrijving en huishoudsamenstelling bleek dat 19-08-2019 de dag van binnenkomst en vestiging van het gezin vanuit Bulgarije was en eveneens de dag waarop de huurwoning is betrokken. Verzoekster is werkzoekend geweest van 19-08-2019 t/m 04-11-2019 en sinds 05-11-219 werkt verzoekster bij Z-Service in loondienst. V werkt daar ook sinds 05-11-2019 zonder onderbreking regelmatig 20 uur per week. Eind oktober 2019 heeft verzoekster bij verweerster kinderbijslag aangevraagd. Bij besluit van 27-12-2019 is het verzoek van verweerster afgwezen. Hiertegen heeft verzoekster op 20-01-2020 bij verweerster bezwaar gemaakt. Bij besluit op bezwaar van heeft verweerster het bezwaar ongegrond verklaard omdat in de eerste drie maanden geen binnenlandse inkomsten zijn verworven. Verzoekster stelde beroep in bij de verwijzende rechter. Als motivering voert zij aan dat er een recht op kinderbijslag bestaat omdat V feitelijk een werkzaamheid uitvoert. Verzoekster verzoekt verweerster te verplichten om haar voor de maanden augustus 2019 t/m oktober 2019 kinderbijslag toe te kennen ten behoeve van de 3 kinderen.

Overweging:

De Duitse kinderbijslag is een overheidsbijdrage aan het gezinsbudget, die is bedoeld om de kosten voor het levensonderhoud van kinderen te verlagen, en vormt een uitkering ter compensatie van gezinslasten. Het betreft een socialezekerheidsuitkering die valt onder de gezinsbijslagen als bedoeld in artikel 3(1)j) jo artikel 1z) van verordening 883/2004. In juli 2019 is lid 1a aan §62 EStG toegevoegd, hierin is onder meer bepaald dat een onderdaan van een andere lidstaat de eerste drie maanden na vestiging van een woonplaats of gewone verblijfplaats in het binnenland geen recht op kinderbijslag heeft. Dit geldt niet wanneer kan worden aangetoond dat de onderdaad in het binnenland inkomsten uit land- en bosbouw, uit bedrijfsactiviteiten, uit zelfstandige werkzaamheden of werkzaamheden in loondienst geniet en dus een beroepsactiviteit uitoefent. De Duitse wetgever acht een eventuele schending van het in artikel 4 van verordening 883/2004 neergelegde beginsel van gelijke behandeling kennelijk gerechtvaardigd door de in artikel 24(2) van richtlijn 2004/38 geregelde mogelijkheid om de toegang tot de nationale socialebijstandsstelsels te beperken voor onderdanen van een andere lidstaat die geen beroepsactiviteit uitoefenen. De verwijzende rechter gaat over op het stellen van de prejudiciële vraag.

Prejudiciële vraag:

Moeten artikel 24 van richtlijn 2004/38/EG en artikel 4 van verordening (EG) nr. 883/2004 aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een regeling van een lidstaat, op grond waarvan een onderdaan van een andere lidstaat die zijn woonplaats of gewone verblijfplaats in het binnenland vestigt en die niet aantoont dat hij binnenlandse inkomsten uit land- en bosbouw, bedrijfsactiviteiten, uit zelfstandige werkzaamheden of werkzaamheden in loondienst heeft, de eerste drie maanden na vestiging van de woonplaats of gewone verblijfplaats geen recht heeft op gezinsbijslagen als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder j), juncto artikel 1, onder z), van verordening nr. 883/2004, terwijl een onderdaan van de betrokken lidstaat die zich in dezelfde situatie bevindt, zonder bewijs van binnenlandse inkomsten uit land- en bosbouw, bedrijfsactiviteiten, uit zelfstandige werkzaamheden of  werkzaamheden in loondienst wel recht heeft op gezinsbijslagen in de zin van artikel 3, lid 1, onder j), juncto artikel 1, onder z), van verordening nr. 883/2004?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Commissie/Verenigd Koninkrijk C-308/14;

Specifiek beleidsterrein: SZW