C-411/22 Thermalhotel Fontana 

Contentverzamelaar

Terug C-411/22 Thermalhotel Fontana 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    10 augustus 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    27 september 2022

Trefwoorden: vergoeding, COVID-19, werkgever, loon, inkomensverlies

Onderwerp:

•            Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie

•            Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels

Feiten:

Verzoekster tot Revision is gevestigd in Oostenrijk, waar hij een hotel uitbaat. Tijdens de controletests in dit hotel zijn meerdere werknemers positief getest op COVID-19. Verzoekster tot Revision heeft dit gemeld aan de Oostenrijkse gezondheidsautoriteit, die de betrokken werknemers echter, omdat zij in Slovenië of Hongarije woonden, geen isolatie heeft opgelegd. De Oostenrijkse autoriteit heeft de bevoegde autoriteiten van die andere lidstaten daarvan in kennis gesteld en deze autoriteiten hebben vervolgens gelast dat de werknemers gedurende bepaalde perioden in hun woonplaatsen in Slovenië respectievelijk

Hongarije in isolatie zouden worden geplaatst. Verzoekster tot Revision heeft gedurende deze isolatieperioden het loon aan de betrokken werknemers doorbetaald. Op 01-12-2020 heeft verzoekster tot Revision verzoeken om betaling van de vergoeding voor het inkomensverlies ingediend bij het districtsbestuur. Deze zijn ongegrond verklaard, omdat er volgens de rechter in geval van door buitenlandse autoriteiten gelaste isolatiemaatregelen geen rechten aan het EpiG kunnen worden ontleend. Tegen deze beslissingen heeft verzoekster tot Revision de buitengewone beroepen in Revision bij het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk) ingesteld, waarbij zij vooral in twijfel trekt of de uitlegging van § 32, leden 1 en 3, EpiG door het Landesverwaltungsgericht verenigbaar is met het beginsel van het vrije verkeer van werknemers in de zin van artikel 45 VWEU en verordening 883/2004.

Overweging:

In casu moet worden verduidelijkt of verzoeker tot Revision als werkgever ook bevoegd is om een recht op vergoeding wegens inkomensverlies – dat krachtens § 32, lid 3, derde volzin, EpiG op hem is overgegaan – uit te oefenen wanneer het bevel op grond waarvan de werknemers in isolatie zijn geplaatst die COVID-19 hebben, vermoedelijk hebben of die besmettelijk kunnen zijn, niet is uitgevaardigd bij besluit van een Oostenrijkse gezondheidsautoriteit, maar bij een (overheids)maatregel van een andere lidstaat, omdat deze werknemers niet in Oostenrijk wonen. Indien de in § 32 EpiG bedoelde vergoeding als een prestatie bij ziekte in de zin van artikel 3, onder a), van verordening 883/2004 zou moeten worden beschouwd, zouden de Oostenrijkse autoriteiten en rechterlijke instanties volgens artikel 5, onder b), van die verordening rekening moeten houden met een isolatiebevel van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat, alsof dit bevel door een Oostenrijkse autoriteit op haar eigen grondgebied is uitgevaardigd. De prestatie in casu houdt geen verband met het bestaan van een ziekte, maar veeleer met het feit dat de persoon aan wie de prestatie toekomt, door een bevel van een gezondheidsautoriteit wordt belemmerd om zijn werkzaamheden te verrichten en daardoor een inkomensverlies lijdt dat door de federale overheid wordt gecompenseerd. Het Verwaltungsgerichtshof neigt dan ook naar de opvatting dat de in casu aan de orde zijnde vergoeding geen prestatie bij ziekte is. Aangezien het Hof zich echter nog niet over deze vraag heeft uitgesproken en de juiste toepassing van het Unierecht evenmin zo evident is dat redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan, wordt het Hof verzocht om een beslissing over deze vraag. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet worden verduidelijkt of het vrije verkeer van werknemers op grond van artikel 45 VWEU en het in artikel 7 van verordening 492/2011 neergelegde beginsel van gelijke behandeling in de weg staan aan een vergoedingsregeling als die van § 32 EpiG.

Prejudiciële vragen:

1. Is een vergoeding die aan werknemers gedurende hun isolatie als personen die COVID-19 hebben, vermoedelijk hebben of besmettelijk kunnen zijn, verschuldigd is voor financiële nadelen wegens de belemmering van hun beroepswerkzaamheden en die in eerste instantie door de werkgever aan de werknemers moet worden betaald, waarbij het recht op vergoeding jegens de federale overheid op het tijdstip van de betaling overgaat op de werkgever, een prestatie bij ziekte in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004  betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels?

Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:

2. Moeten artikel 45 VWEU en artikel 7 van verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan de toekenning van een vergoeding voor het inkomensverlies dat werknemers hebben geleden ten gevolge van een door de gezondheidsautoriteiten opgelegde isolatie wegens een positieve uitslag van een COVID-19-test (waarbij de vergoeding in eerste instantie door de werkgever aan de werknemers moet worden betaald en een recht op vergoeding jegens de federale overheid in dit verband overgaat op de werkgever), afhankelijk is van de voorwaarde dat de isolatie door een binnenlandse autoriteit wordt opgelegd op basis van de nationale wetgeving betreffende epidemieën, zodat die vergoeding niet wordt betaald aan werknemers die als grensarbeiders in een andere lidstaat wonen en van wie de isolatie („quarantaine”) wordt gelast door de gezondheidsautoriteit van hun woonstaat?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (C-430/15), (C-503/09), Clean Car Autoservice (C-350/96), (C-212/05)

Specifiek beleidsterrein: SZW