C-416/25 Freie und Hansestadt Hamburg
Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).
Termijnen: Motivering departement: 28 augustus 2025 Schriftelijke opmerkingen: 14 oktober 2025
Trefwoorden: AVG, immateriële schade, gegevensbeschermingsrecht, informatieplicht
Onderwerp: Verordening (EU) 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (AVG): artikel 2, lid 2, onder d, artikel 15 en artikel 82; richtlijn (EU) 2016/680: artikel 1, lid 1, artikel 2, lid 1, artikel 14 en artikel 56.
Verzoeker verzocht in november 2018 om verstrekking van informatie over de persoonsgegevens die ten behoeve van een boeteprocedure bij een rechterlijke instantie waren verwerkt. Bij deze informatieaanvraag stelt de president van deze rechterlijke instantie dat verzoeker bewust was van welke persoonsgegevens door hen verwerkt en gedeeld zijn met andere instanties bij inzage en voorlezing van dossierstukken ter terechtzitting. In beroep vordert verzoeker vergoeding vanwege het te laat en onvolledig verstrekken van informatie. De Duitse rechter vraagt het Hof naar de wijze waarop het recht tot immateriële schadevergoeding wegens het schenden van de informatieverplichting in de zin van artikel 2, lid 2, onder d van de AVG en artikel 1, lid 1, en artikel 2, lid, 1 van richtlijn 2016/680 moet worden uitgelegd.
Prejudiciële vragen:
1. Moeten artikel 2, lid 2, onder d), AVG en artikel 1, lid 1, en artikel 2, lid 1, van richtlijn 2016/680 aldus worden uitgelegd dat de beoordeling van een recht op vergoeding van immateriële schade wegens niet-nakoming van de informatieplicht met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens door een rechter in het kader van een overtreding (boeteprocedure), wordt beheerst door het nationale recht dat is vastgesteld ter omzetting van de artikelen 56 en 14 van richtlijn 2016/680 dan wel door artikel 82 AVG, gelezen in samenhang met artikel 15 AVG?
2. a) Indien de AVG van toepassing is: moeten de bepalingen in artikel 82, lid 1 en lid 2, eerste volzin, van deze verordening aldus worden begrepen dat een betrokkene ook wegens schending van zijn recht van inzage overeenkomstig artikel 15 van de verordening recht heeft op vergoeding van de immateriële schade die deze heeft geleden als gevolg van te late of onvolledige informatie?
b) Indien richtlijn 2016/680 van toepassing is: moet artikel 56 van deze richtlijn aldus worden begrepen dat de lidstaten ook voor de schending van het recht van inzage overeenkomstig de nationale bepalingen ter omzetting van artikel 14 van de richtlijn, moeten voorzien in een recht op vergoeding van de immateriële schade als gevolg van te late of onvolledige informatie?
3. Indien vraag 2. a) of 2. b) bevestigend wordt beantwoord: vormt reeds de onzekerheid van de betrokkene over de verwerking van zijn persoonsgegevens en het daaruit voortvloeiende beletsel om de rechtmatigheid van de gegevensverwerking te controleren en eventuele rechten in dat verband te doen gelden, welke gepaard gaat met een niet-nakoming van de informatieplicht (krachtens artikel 15 AVG of krachtens de nationale bepalingen die berusten op artikel 14 van richtlijn 2016/680), een immateriële schade in de zin van artikel 82 AVG of artikel 56 van richtlijn 2016/680?
Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-439/19 (Latvijas Republikas Saeima); C-300/21 (Österreichische Post); C-200/23 (Agentsia po vpisvaniyata); C-687/21 (MediaMarktSaturn); C-590/22 (PS).
Specifiek beleidsterrein: JenV