C-420/20 HN  

Contentverzamelaar

C-420/20 HN  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     3 november 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     20 december 2020

Trefwoorden : strafrecht; aanwezigheid terechtzitting; inreis- /verblijfsverbod

Onderwerp :

Richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn.

Feiten:

HN (Albanese nationaliteit) werd op 11 maart 2020 door de politie aangehouden nadat hij probeerde met valse identificatiedocumenten het grondgebied van Bulgarije te verlaten. Nog op diezelfde dag werd een onderzoek naar het geconstateerde strafbare feit gestart. Op 12 maart 2020 legde de chef van de grenspolitie bij besluit aan HN de dwangmaatregel “terugkeer naar het land van herkomst, het land van doorreis of een derde land” op alsmede de dwangmaatregel “inreis- en verblijfsverbod voor de Republiek Bulgarije” voor de duur van vijf jaar. Op 23 april 2020 werd aan HN formeel een strafbaar feit ten laste gelegd. Op 27 april 2020 kregen HN en zijn advocaat kennis van de formele tenlastelegging, waarbij HN in tegenwoordigheid van een tolk werd ingelicht over zijn rechten. HN verklaarde dat hij zijn rechten begreep en dat hij niet aanwezig wilde zijn bij zijn terechtzitting. Bij beschikking van 24 juni 2020 is de datum van de preliminaire procedure in de strafzaak vastgesteld op 23 juli 2020. De rapporterende rechter heeft opdracht gegeven om HN via de directie migratie van het ministerie van binnenlandse zaken afschriften van de beschikking en van de tenlastelegging, tezamen met een Albanese vertaling van beide documenten, te doen toekomen. In die beschikking werd er tevens op gewezen dat de aanwezigheid van de beklaagde bij de terechtzitting verplicht was en dat de procedure alleen onder de voorwaarden van artikel 269(3) NPK (wetboek van strafvordering) in zijn afwezigheid kon plaatsvinden. Op 16 juli 2020 werd de rechter meegedeeld dat HN op 16 juni 2020 uit de instelling voor tussentijdse opvang van vreemdelingen was ontslagen en met het oog op de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde dwangmaatregelen was teruggebracht naar de staatsgrens van Bulgarije. Ten gevolge daarvan is de beklaagde niet naar behoren geïnformeerd over de tegen hem ingestelde gerechtelijke procedure.

Overweging:

Allereerst moet evenwel de fundamentele vraag worden beantwoord of het is toegestaan dat de persoonlijke aanwezigheid van de beklaagde bij zijn terechtzitting wordt beperkt door een dwangmaatregel van de uitvoerende autoriteiten waarmee het de betrokkene langdurig is verboden het grondgebied van Bulgarije binnen te komen respectievelijk daar te verblijven. HN’s afstandsverklaring werd afgegeven vóór het indienen van de tenlastelegging bij het gerecht en derhalve vóór het tijdstip waarop het recht op aanwezigheid bij de terechtzitting is ontstaan, hetgeen gerede twijfels doet rijzen over de vraag of de hiermee beoogde rechtsgevolgen daadwerkelijk zijn ingetreden.

Prejudiciële vragen:

1. Is het toegestaan om het in artikel 8, lid 1, van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1) neergelegde recht van beklaagden om persoonlijk aanwezig te zijn bij hun terechtzitting, te beperken middels nationale bepalingen op grond waarvan aan een formeel beklaagde vreemdeling een bestuursrechtelijk inreis- en verblijfsverbod mag worden opgelegd voor het land waarin de  strafprocedure plaatsvindt?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, kan dan voldaan zijn aan de in artikel 8, lid 2, onder a) en/of b), van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1) neergelegde voorwaarden om de terechtzitting te kunnen doen plaatsvinden in afwezigheid van de beklaagde vreemdeling, wanneer laatstgenoemde naar behoren in kennis is gesteld van de strafzaak en van de gevolgen van zijn afwezigheid, en wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde advocaat die ofwel door de beklaagde ofwel door de staat is aangesteld, maar de persoonlijke aanwezigheid van de beklaagde wordt belet door een in een bestuurlijke procedure opgelegd inreis- en verblijfsverbod voor het land waarin de strafprocedure plaatsvindt?

3. Is het toegestaan om het in artikel 8, lid 1, van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65 blz. 1), neergelegde recht van de beklaagde om bij zijn terechtzitting aanwezig te zijn, middels nationale wettelijke bepalingen om te zetten in een procedurele verplichting van deze persoon? Concreet: verzekeren de lidstaten op deze wijze een hoger beschermingsniveau in de zin van overweging 48 of is een dergelijke aanpak veeleer onverenigbaar met overweging 35 van de richtlijn waarin wordt vastgesteld dat het recht van beklaagden om bij de terechtzitting aanwezig te zijn, niet absoluut is en dat hiervan afstand kan worden gedaan?

4. Is het toegestaan dat een beklaagde vooraf, gedurende het onderzoek, op onmiskenbare wijze afstand doet van het in artikel 8, lid 1, van richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65 blz. 1) neergelegde recht om bij zijn terechtzitting persoonlijk aanwezig te zijn, voor zover de beklaagde werd ingelicht over de gevolgen van zijn afwezigheid?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV; JenV-DMB