C-427/22 BG  

Contentverzamelaar

Terug C-427/22 BG  

Prejudiciële hofzaak  

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    17 augustus 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    3 oktober 2022

Trefwoorden: kredietinstelling, leningen, vergunningsregeling, banktransacties

Onderwerp:

•            Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012

•            Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG

Feiten:

BG was van april 2016 tot september 2017 lid van de gemeenteraad in district Pleven. Het was daar bekend dat hij aan personen in nood tegen rente contant geld leende, hetgeen talrijke getuigen voor de rechtbank van eerste aanleg zouden hebben verklaard. De tenlastelegging heeft enkel betrekking op de door de getuigen KM en VC aangegane leningen. KM had in november 2016 van BG een lening van gekregen, die zij binnen een maand moest terugbetalen met rente. BG nam de debetkaart van KM voor haar bankrekening en de pincode daarvan als onderpand. Nog in diezelfde maand gaf KM BG het bedrag terug. In de periode november-december 2016 heeft ze nog twee leningen bij BG genomen. Vervolgens heeft KM haar debetkaart bij de bank laten blokkeren omdat BG weigerde deze aan haar terug te geven en beweerde dat zij hem nog geld verschuldigd was. Ook VC kreeg een lening van BG. VC heeft op 05-12-2017 aangifte gedaan tegen BG en de debetkaart geblokkeerd. BG is schuldig bevonden aan het tussen april 2016 en september 2017 als natuurlijke persoon zonder de krachtens de ZKI (wet op de kredietinstellingen) vereiste toestemming bedrijfsmatig verrichten van banktransacties door aan twee personen zeven leningen in contanten tegen rente te verstrekken. BG heeft hiertegen beroep ingesteld en betoogt dat zijn handelen a priori geen strafbaar feit in de zin van artikel 252, lid 1, NK (wetboek van strafvordering) vormt. Volgens hem bevat de ZKI geen wettelijke definitie van een banktransactie. Het voornaamste kenmerk van bankactiviteiten is het aantrekken van deposito’s of andere terugbetaalbare gelden bij het publiek en het verstrekken van kredieten daarmee, en deze activiteit is onderworpen aan een vergunningsregeling. Als financiële instellingen of natuurlijke personen in strijd met een regeling die afwijkt van de vergunningsregeling, bedrijfsmatig gelden verstrekken die niet zijn aangetrokken als deposito’s bij het publiek, kan dit niet worden beschouwd als het verrichten van banktransacties zonder de daarvoor vereiste toestemming.

Overweging:

Om te kunnen beoordelen of hij reeds jarenlang bestaande en tot voor kort ongewijzigde rechtspraak volgens welke het bedrijfsmatig verstrekken van een lening in contanten door een natuurlijke persoon een strafbaar feit als bedoeld in artikel 252, lid 1, NK vormt, moet opgeven – heeft de verwijzende rechter behoefte aan verduidelijking van de betekenis van artikel 4, lid 1, punten 1 en 42, van verordening 575/2013, gelezen in samenhang met artikel 9, lid 1, van richtlijn 2013/36 en bijlage I, punten 1 en 2, van de richtlijn, die samen het juridische kader vormen waarbinnen is geregeld wie het bedrijf van kredietinstelling mag uitoefenen. De verwijzende rechter verzoekt om uitlegging van de definitie van een kredietinstelling in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1, van verordening 575/2013, om de vraag te kunnen beantwoorden of het gebruik van het voegwoord „en”, dat de verbinding vormt tussen de activiteiten „het bij het publiek aantrekken van deposito’s of van andere terugbetaalbare gelden” en „het verlenen van kredieten”, betekent dat kredietinstellingen leningen uitsluitend mogen verstrekken uit gelden die zijn aangetrokken bij het publiek en niet tevens uit middelen die zij uit andere bronnen hebben ontvangen. De twijfel over de exacte betekenis van de definitie in artikel 4, lid 1, punt 1, van de verordening vloeit mede voort uit het in artikel 9, lid 1, van de richtlijn neergelegde uitdrukkelijke verbod voor personen of ondernemingen die geen kredietinstelling zijn, om bedrijfsmatig deposito’s of van andere terugbetaalbare gelden aan te trekken bij het publiek, alsmede uit de punten 1 en 2 van bijlage I bij de richtlijn, waarin deze beide activiteiten afzonderlijk van elkaar worden vermeld. Daarnaast ondervindt de verwijzende rechter moeilijkheden met de uitlegging van de definitie van het begrip „vergunning” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 42 van de verordening, omdat de bevoegdheid om de werkzaamheden uit te oefenen binnen het door de verordening en de richtlijn bepaalde kader berust op deze door de overheid afgegeven akte. Volgens artikel 4, lid 1, punt 26 van de verordening en artikel 34 van de richtlijn kunnen financiële instellingen de in bijlage I vermelde werkzaamheden uitoefenen; punt 2 van deze bijlage heeft betrekking op het verstrekken van leningen, waaronder consumentenkrediet. Het is voor de verwijzende rechter dan ook van aanzienlijk belang dat wordt verduidelijkt of de uitdrukking „een door de overheid afgegeven akte, ongeacht haar vorm, waaruit de bevoegdheid voortvloeit om de werkzaamheden uit te oefenen” in artikel 4, lid 1, punt 42, van de verordening zowel de vergunning als de vastlegging omvat.

Prejudiciële vragen:

1. Moet de definitie van een kredietinstelling in artikel 4, lid 1, punt 1, van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 aldus worden uitgelegd dat het verstrekken van leningen uitsluitend moet plaatsvinden met middelen die bij het publiek als deposito’s of andere terugbetaalbare gelden zijn aangetrokken, of mag een kredietinstelling ook uit andere bronnen leningen verstrekken?

2. Hoe moet de inhoud van „een door de overheid afgegeven akte, ongeacht haar vorm, waaruit de bevoegdheid voortvloeit om de werkzaamheden uit te oefenen” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 42, van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 worden uitgelegd, en omvat deze zowel de toestemming op basis van een vergunningsregeling als de toestemming op basis van een registratieregeling voor krediettransacties?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN

Gerelateerde documenten