C-431/21 Finanzamt Bremen

Contentverzamelaar

C-431/21 Finanzamt Bremen

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    6 oktober 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    22 november 2021

Trefwoorden : belastingwetgeving, grensoverschrijdende transacties, arm’s-length-beginsel

Onderwerp :

-           Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Feiten:

Verzoekster is een in Duitsland gevestigde commanditaire vennootschap met als commercieel doel het houden en beheren van deelneming en het verlenen van diensten aan verbonden ondernemingen en derden. Verzoekster gedelegeerd beherend vennoot was een in Duitsland gevestigde vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Haar enige commanditaire vennoot was een in Nederland gevestigde besloten vennootschap, met als enige vennoot de in Nederland gevestigde naamloze vennootschap Y. Middels deelneming in verzoekster commanditaire vennoot bezat Y 100% van verzoeksters aandelen. Y heeft krachtens een lastgevingsovereenkomst diensten ten behoeve van verzoekster verricht en heeft daartoe verschillende personen ingeschakeld. De vergoeding van deze personen moest volgens de lastgevingsovereenkomst berekend worden op basis van de daadwerkelijk gedragen kosten en de daadwerkelijke gedane uitgaven. Y was verplicht alle voor terugbetaling in aanmerking komende kosten en uitgaven te registreren, alsmede een gedetailleerde eindafrekening op te stellen. Dit heeft Y echter verzuimd. Na een auditverzoek van 17-1-2012 is bij verzoekster een audit verricht die met name betrekking had op de door verzoekster aan Y betaalde beheerskosten, meer specifiek de verrekenprijzen en de documentatie inzake de grensoverschrijdende transacties. Op 17-3-2016 zijn verzoekster en verweerder per schikking overeengekomen dat de in 2007 t/m 2010 geboekte jaarlijkse beheerskosten, in totaal 400.000 euro, onredelijk geacht werden. In het auditverslag van 1-6-2016 wordt geconcludeerd dat de door verzoekster overlegde documentatie inzake de verrichte transacties en de redelijkheid daarvan deze transacties niet in voldoende mate inzichtelijk had gemaakt. Naar nationaal recht moet een toeslag van ten minste 5% van het extra bedrag aan inkomsten per jaar worden vastgesteld. Verweerder heeft verzoekster voor elk van de relevante aanslagjaren een toeslag van 20.000 euro opgelegd. Nu een ongegrond verklaard bezwaarschrift, heeft verzoekster beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

Overweging:

De verwijzende rechter betwijfelt of de nationaalrechtelijke bepalingen inzake specifieke registratieverplichtingen voor grensoverschrijdende commerciële relaties met nauw verbonden personen en  de extra toeslag bij verzuim om op verzoek geregistreerde gegevens over te leggen verenigbaar zijn met artikel 49 of 56 VWEU. Volgens de verwijzende rechter vormen deze bepalingen een beperking van de vrijheid van vestiging, aangezien een Duitse belastingplichtige die commerciële relaties onderhoudt met nauw verbonden personen in een andere lidstaat aan bijzondere registratieverplichtingen wordt onderworpen en het niet overleggen van de vereiste geregistreerde gegevens tot oplegging van een sanctie in de vorm van een toeslag leidt, terwijl ten aanzien van belastingplichtigen die commerciële relaties onderhouden met nauw verbonden personen op het nationale grondgebied niet in deze bijzondere registratieverplichtingen of in de vaststelling van een dergelijke toeslag is voorzien.

Prejudiciële vraag:

Moeten artikel 43 VEG en artikel 49 VWEU, waarin de vrijheid van vestiging wordt gewaarborgd (of artikel 49 VEG en artikel 56 VWEU, waarin de vrijheid van dienstverrichting wordt gewaarborgd), aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling volgens welke de belastingplichtige in situaties die verband houden met grensoverschrijdende transacties verplicht is om gegevens betreffende de aard en inhoud van zijn commerciële relaties met nauw verbonden personen te registreren, met inbegrip van de economische en juridische gronden voor een met de nauw verbonden personen in overeenstemming met het arm’s-length-beginsel gesloten overeenkomst over prijzen en andere commerciële voorwaarden, en die erin voorziet dat, wanneer de belastingplichtige bedoelde geregistreerde gegevens niet overlegt wanneer de belastingadministratie daarom verzoekt of wanneer de overgelegde geregistreerde gegevens in wezen onbruikbaar zijn, niet alleen het weerlegbare vermoeden bestaat dat zijn in Duitsland belastbare inkomen, dat aan de hand van deze geregistreerde gegevens moet worden vastgesteld, hoger is dan het door hem aangegeven inkomen en, indien de belastingdienst in dergelijke gevallen een raming moet maken en dit inkomen slechts binnen een bepaald kader en met name alleen aan de hand van prijsklassen kan worden vastgesteld, dit kader ten nadele van de belastingplichtige kan worden benut, maar bovendien een toeslag moet worden vastgesteld die ten minste 5 percent en ten hoogste 10 percent van het vastgestelde extra bedrag aan inkomen doch ten minste 5 000 EUR en in het geval van te late overlegging van bruikbare geregistreerde gegevens maximaal 1 000 000 EUR en ten minste 100 EUR voor elke volledige dag vertraging bedraagt, waarbij van de vaststelling van een toeslag alleen kan worden afgezien wanneer de niet-nakoming van de registratieverplichtingen verschoonbaar is of wanneer de fout slechts gering is?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-311/08 SGI; C-382/16 Hornbach-Baumarkt;

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal;