C-46/18 Caseificio Sociale San Rocco e.a.

Contentverzamelaar

C-46/18 Caseificio Sociale San Rocco e.a.

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    14 maart 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    28 april 2018

Trefwoorden: landbouw;

Onderwerp:

-           Verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten;
-           Verordening (EG) nr. 1392/2001 van de Commissie van 9 juli 2001 houdende vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten;
-           Verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten;
-           Verordening (EG) nr. 595/2004 van de Commissie van 30 maart 2004 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten;

Feiten:

Met betrekking tot de melkquota en de extra heffing over de periode 01.04.2003 t/m 31.03.2004 deelde het agentschap voor landbouwbetalingen (hierna: AGEA) verzoeker (Caseificio sociale San Rocco) als ‘eerste koper’, mee dat het bedrag van de restitutie van teveel betaalde extra heffing over de leveringen van koemelk tijdens het melkseizoen 2003/2004 was berekend; en dat de producenten de verplichting hadden om maandelijks te betalen, en aan de producenten die te veel hadden betaald, het te veel betaalde zou worden gerestitueerd. Als bijlage bij die mededeling had AGEA een overzicht gevoegd met vermelding van de reeds betaalde en bevestigde bedragen en van de te restitueren bedragen. Daarop legde AGEA de eerste koper ten laste dat hij de extra heffing tijdens het melkseizoen 2003/2004 niet had ingehouden, en stelde zij dat de producenten de in dat overzicht vermelde bedragen nog verschuldigd waren. Als verweer voerden de eerste koper en de producenten aan dat AGEA wet 119/2003 had toegepast op het gehele melkseizoen in kwestie, hoewel verplichting tot inhouding en maandelijkse betaling van de heffing pas vanaf 01.01.2004 gold. Voorts stelden zij dat de verplichting tot inhouding in strijd was met artikel 2(2) van verordening 3950/92, die naar hun mening ratione temporis van toepassing was, en waarin alleen werd bepaald dat de koper de heffing mocht inhouden. Ten slotte had het bedrag aan te veel betaalde heffing zonder onderscheid moeten worden verdeeld over de producenten die hadden bijgedragen aan de overschrijding van de quota, terwijl volgens artikel 2(4) van verordening 3950/92 en artikel 9 van verordening 1392/2011 de producenten die aan hun betalingsverplichtingen hadden voldaan, nooit zouden hebben behoord tot de “prioritaire categorieën” in de zin van het Unierecht, die recht hebben op genoemde herverdeling. De bestuursrechter in eerste aanleg waaraan het geschil was voorgelegd, was van oordeel dat op het melkseizoen 2003/2004 wet 119/2003 moest worden toegepast en dat de toe te passen communautaire regeling niet verordening 3950/92 was, maar de verordeningen 1788/2003 en 595/2004. In hoger beroep bevestigde de verwijzende rechter bij tussenbeslissing van 21.11.2017 de toepasselijkheid van wet 119/2003, maar niet die van verordening 1788/2003, aangezien deze volgens artikel 27 ervan pas op 01.04.2004 in werking was getreden. De verwijzende rechter was dan ook van oordeel dat vanaf 01.01.2004 (de eerste dag dat artikel 5 van wet 119/2003 van toepassing was) tot 31.03.2004 (laatste dag van het melkseizoen 2003/2004) wet 119/2003 moest worden getoetst aan verordening 3950/92, die van kracht was tot 01.04.2004, met als gevolg dat voor die laatste drie maanden de koper nog niet verplicht, maar alleen bevoegd was om de heffing in te houden.

Overweging:

De verwijzende rechter heeft het Hof verzocht uit te maken welke consequenties in dit geval moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de in Italië reeds vóór 01.04.2004 ingevoerde verplichting tot maandelijkse inhouding in strijd was met het Unierecht, en of de keuze van de Italiaanse wetgever om bedrag aan te veel betaalde heffing uitsluitend over bepaalde producenten te verdelen, rechtmatig was. De verwijzende rechter is voorts van mening dat nietigverklaring van artikel 5 van wet 119/2003, kwijtschelding van de schuld (en vergoeding van de gestelde schade) en bovendien buiten toepassing laten van artikel 2(3) van wetsbesluit 157/2004 wegens ongeldigheid voortvloeiend uit de ongeldigheid van bovengenoemd artikel 5 – zoals de appellanten vorderen – niet alleen disproportioneel is, maar ook de belangen schaadt van degenen die ter voldoening aan een (zij het onwettige) verplichting toch hebben betaald: indien die bepaling buiten toepassing zou worden gelaten, zouden degenen die restitutie van het te veel betaalde heeft gekregen, daarvan afstand moeten doen. In de tweede plaats betwijfelt de verwijzende ten zeerste of het bij de herverdeling van de heffing gemaakte onderscheid tussen degenen die hun maandelijkse betalingsverplichting zijn nagekomen, en degenen die deze verplichting niet zijn nagekomen, neerkomt op het creëren van een “prioritaire categorie” in de zin van het Unierecht.


Prejudiciële vragen:
a) Moet, in een situatie als die welke hier is beschreven en in het hoofdgeding aan de orde is, het Unierecht in die zin worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een wettelijke bepaling van een lidstaat in strijd is met artikel 2, lid 2, derde alinea, van verordening (EEG) nr. 3950/92, tot gevolg heeft dat de producenten met een beroep op de bepalingen van die verordening niet verplicht zijn de extra heffing te betalen?

b) Moet, in een situatie als die welke hier is beschreven en in het hoofdgeding aan de orde is, het Unierecht en in het bijzonder het algemene beginsel van bescherming van het vertrouwen, in die zin worden uitgelegd dat het vertrouwen van rechtssubjecten die hebben voldaan aan een door een lidstaat opgelegde verplichting en die profijt hebben gehad van de gevolgen die aan het nakomen van genoemde verplichting zijn verbonden, niet kan worden beschermd wanneer blijkt dat die verplichting in strijd is met het Unierecht?

c) Staan, in een situatie als die welke hier is beschreven en in het hoofdgeding aan de orde is, artikel 9 van verordening (EG) nr. 1392/2001 en het Unierechtelijke begrip „prioritaire categorie” in de weg aan een bepaling van een lidstaat, zoals artikel 2, lid 3, van voorlopig wetsbesluit nr. 157/2004 van de Italiaanse Republiek, waarin de restitutie van een teveel aan extra heffing betaald bedrag, op verschillende manieren is geregeld, waarbij ter zake van de termijnen en de wijze van restitutie onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds producenten die zich plichtsgetrouw hebben gehouden aan een nationale bepaling die in strijd blijkt te zijn met het Unierecht, en anderzijds producenten die zich niet aan die bepaling hebben gehouden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: LNV