C-461/21 Cartrans Preda 

Contentverzamelaar

C-461/21 Cartrans Preda 

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    21 oktober 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    7 december 2021

Trefwoorden : diensten; belasting

Onderwerp :

-           Artikel 56 en 57 VWEU (vrijheid van dienstverlening en definitie ‘diensten’);

-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

Feiten:

Verzoekster is een in Roemenië gevestigde vennootschap die goederenvervoer over de weg verricht. Zij heeft na een controle door de Roemeense belastingautoriteiten een naheffingsaanslag opgelegd gekregen, bestaande uit extra btw en belasting over inkomsten uit commissies die in Roemenië door niet-ingezetenen zijn verworven. De extra btw is opgelegd omdat er geen documenten zijn overgelegd waaruit bleek dat de vervoerde goederen in de Unie waren ingevoerd, en omdat verzoekster niet heeft bewezen dat de waarde van de vervoerdiensten in de maatstaf van heffing van de ingevoerde goederen was opgenomen. Verder heeft FDE Holding, een Deense vennootschap, als wettelijk vertegenwoordiger van verzoekster alle nodige formaliteiten verricht voor de teruggaaf van de btw en waren de voor deze diensten ontvangen tarieven gebaseerd op een percentage van de in elk land teruggegeven btw. Volgens de Roemeense belastingautoriteiten zijn de door FDE Holding ontvangen tarieven commissies, waarop verzoekster geen belasting over de inkomsten van niet-ingezetenen heeft berekend, door op het bruto-inkomsten het tarief van 4% toe te passen waarin het dubbelbelastingverdrag tussen Roemenië en Denemarken voorziet, en heeft zij de belasting evenmin ingehouden, aangegeven of betaald. Verzoekster is het niet eens met de naheffingsaanslag en verzoekt om nietigverklaring.

Overweging:

De verwijzende rechter wil de rechtmatigheid van de naheffingsaanslag nagaan door de wijze van kwalificatie van de naheffing te toetsen aan het Unierecht. In het bijzonder moet worden vastgesteld of de wijze waarop de belastingautoriteiten de btw en de belasting over de inkomsten van niet-ingezetenen vaststellen, een juiste toepassing vormt van artikel 86, lid 1, onder b), artikel 86, lid 2, en artikel 144 van richtlijn 2006/112 en de artikelen 56 en 57 VWEU. De uitlegging van deze Unierechtelijke bepalingen is voor de verwijzende rechter nuttig om uitspraak te kunnen doen over de verenigbaarheid ervan met de nationale bepalingen die ten grondslag liggen aan de vaststelling van de naheffingsaanslag waarvan om nietigverklaring wordt verzocht. Verder merkt de verwijzende rechter op dat de prejudiciële verwijzing in casu ook nuttig is omdat een nieuwe uitleggingsvraag wordt opgeworpen die van algemeen belang is voor de uniforme toepassing van het Unierecht, aangezien in de bestaande rechtspraak de nodige verduidelijkingen ontbreken om over deze rechtssituatie te oordelen.

Prejudiciële vragen:

1) Moeten artikel 86, lid 1, onder b), en artikel 86, lid 2, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, met het oog op de btw-vrijstelling voor vervoersactiviteiten en -diensten die betrekking hebben op de invoer van goederen in de zin van die richtlijn aldus worden uitgelegd dat de registratie van een invoeractiviteit (bijvoorbeeld het opstellen van een summiere invoeraangifte door de douaneautoriteiten door middel van toewijzing van een MRN/Master Reference Number) altijd ook inhoudt dat het vrachttarief tot de eerste plaats van bestemming van de goederen binnen het grondgebied van de lidstaat van invoer wordt opgenomen in de berekeningsgrondslag van de douanewaarde? Bewijst het bestaan van een MRN waarvoor geen enkele gegronde aanwijzing van fraude is gevonden impliciet dat alle in artikel 86, lid 1, onder a) en b), genoemde kosten in de douanewaarde zijn opgenomen?

2) Staan artikel 144, artikel 86, lid 1, onder b), en lid 2, van richtlijn [2006/112] in de weg aan een belastingpraktijk van een lidstaat waarbij btw-vrijstelling voor vervoerdiensten die betrekking hebben op invoer [in de Unie] wordt geweigerd omdat er geen strikt formeel bewijs is overgelegd dat de vervoertarieven zijn opgenomen in de douanewaarde, ook al zijn er, ten eerste, andere relevante begeleidende invoerdocumenten overgelegd, te weten de summiere aangifte en de CMR-vrachtbrief met vermelding van de levering bij de ontvanger, en is er, ten tweede, geen enkele aanwijzing die twijfel doet rijzen over de echtheid of betrouwbaarheid van de summiere aangifte en de CMR-vrachtbrief?

3) Is de terugvordering van btw en accijnzen bij de belastingautoriteiten van meer dan één lidstaat, gelet op artikel 57 VWEU, een intracommunautaire dienstverrichting of een activiteit van een algemeen commissionair die als tussenpersoon optreedt bij een handelstransactie?

4) Moet artikel 56 VWEU aldus worden uitgelegd dat er sprake is van een beperking van het vrije verkeer van diensten als de ontvanger van een dienst die wordt verricht door een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter gehouden is op grond van de wetgeving van de lidstaat waar die dienstontvanger is gevestigd over de voor deze dienst verschuldigde vergoeding belasting in te houden, terwijl deze inhoudingsplicht niet geldt wanneer de dienstontvanger dezelfde dienst laat verrichten door een dienstverrichter die in dezelfde lidstaat als de dienstontvanger is gevestigd?

5) Is de fiscale behandeling van de woonstaat van de persoon die de inkomsten betaalt, een factor die het vrij verrichten van diensten minder aantrekkelijk maakt en belemmert, aangezien de ingezetene voor de terugvordering van btw en accijnzen alleen met in zijn lidstaat gevestigde entiteiten en niet met in andere lidstaten gevestigde entiteiten kan samenwerken indien hij de betaling van 4 % bronheffing wil vermijden?

6) Kan het feit dat over het brutobedrag van de door de niet-ingezetene verworven inkomsten 4 % (of, naargelang het geval, 16 %) belasting wordt geheven, terwijl de vennootschapsbelasting die de dienstverrichter in dezelfde lidstaat moet betalen (voor zover hij winst maakt) 16 % van het nettobedrag bedraagt, ook worden beschouwd als een inbreuk op artikel 56 VWEU, omdat dit nog een factor is die het vrij verrichten van deze diensten door niet-ingezetenen minder aantrekkelijk maakt en belemmert?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: n.v.t.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal; EZK