C-469/20 RightNow

Contentverzamelaar

C-469/20 RightNow

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     16 november 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     2 januari 2021

Trefwoorden : algemene vervoersvoorwaarden; rechtskeuzebeding;

Onderwerp :

•          Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten;

•          Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I);

Feiten:

Verzoekster vordert van de gedaagde luchtvaartmaatschappij terugbetaling van niet-verschuldigde belastingen en toeslagen over geannuleerde luchtvervoersovereenkomsten. De betrokken passagiers hebben bij verweerster vluchten geboekt die van of naar Nürnberg moesten worden uitgevoerd. Alle passagiers hebben hun gewone verblijfplaats in Duitsland. Bij de boeking van de vluchttickets zijn alle passagiers in het bezit gesteld van de algemene vervoersvoorwaarden van verweerster. In de algemene voorwaarden staat genoemd dat die voorwaarden worden geregeld door Hongaars recht en dat vorderingen die uit het vervoer voortvloeien onderworpen zijn aan de niet-exclusieve jurisdictie van Hongaarse rechtbanken. De voorwaarden verduidelijken dat ‘niet-exclusieve jurisdictie’ inhoudt dat vorderingen tegen de luchtvaartmaatschappij ook kunnen worden ingediend bij rechtbanken buiten Hongarije. Verzoekster vindt dat het ‘rechtskeuzebeding’ niet geldig is.

Overweging:

Of de aanspraken geldend kunnen worden gemaakt, is in wezen afhankelijk van de geldigheid van het rechtskeuzebeding naar Hongaars recht. Het beding lijkt te impliceren dat consumenten vrij kunnen kiezen voor welke jurisdictie zij een vordering aanhangig willen maken, terwijl die keuze naar het EU-recht toch enigszins beperkt is. De verwijzende rechter is niet helemaal zeker hoe hij het EU-recht moet uitleggen, en legt derhalve de onderstaande vraag aan het EU-Hof voor.

Prejudiciële vragen:

Moet artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten aldus worden uitgelegd dat een beding in de algemene vervoersvoorwaarden van een commerciële luchtvaartmaatschappij waarover niet afzonderlijk is onderhandeld en volgens hetwelk een via elektronische weg gesloten overeenkomst met een te vervoeren consument wordt beheerst door het recht van het land waar de luchtvaartmaatschappij is gevestigd, welk recht niet hetzelfde recht is als het recht van de gewone verblijfplaats van de te vervoeren consument, oneerlijk is voor zover het de consument misleidt door hem niet erop te wijzen dat krachtens artikel 5, lid 2, tweede alinea, van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I), slechts in beperkte mate voor een ander recht kan worden gekozen en geen rechtskeuze naar believen kan worden gemaakt, maar uitsluitend de in artikel 5, lid 2, tweede alinea, van de Rome I verordening genoemde rechtskeuzes mogelijk zijn? [Or. 3]

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Air Berlin (C-290/16); Verein für Konsumenteninformation (C-191/15);

Specifiek beleidsterrein: IenW, EZK;