C-47/21 C. Bank et Bank D. K.

Contentverzamelaar

C-47/21 C. Bank et Bank D. K.

Prejudiciële hofzaak  

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     12 mei 2021
Schriftelijke opmerkingen:                     28 juni 2021

Trefwoorden : consumentenbescherming; banken; kredietovereenkomst; herroeping;

Onderwerp :

Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad;

Feiten:

Het gaat hier om twee verschillende situaties. In het eerste geval sloot verzoeker op 12-04-2017 met verweerster een kredietovereenkomst voor de aankoop van een tweedehands auto voor privégebruik bij een autohandelaar. Bij de voorbereiding en sluiting van de leningsovereenkomst trad de verkoper op als kredietbemiddelaar voor verweerster, waarbij hij de door verweerster ter beschikking gestelde modelovereenkomsten benutte. Verzoeker werd in de gesloten overeenkomst als volgt over zijn herroepingsrecht geïnformeerd: “De lener beschikt over een termijn van 14 dagen om zonder opgave van redenen zijn instemming met de sluiting van een overeenkomst te herroepen. De termijn gaat in na sluiting van de overeenkomst, maar niet eerder dan op het tijdstip waarop de lener alle verplichte informatie als bedoeld in § 492, lid 2, BGB (bijvoorbeeld het soort krediet, het nettokredietbedrag, de looptijd van de overeenkomst) heeft ontvangen [...].” Aanvankelijk heeft verzoeker de termijnen regelmatig betaald. Bij e-mail van 01-04-2020 heeft hij zijn instemming met de sluiting van de leningsovereenkomst herroepen. Verzoeker is van mening dat de herroeping geldig is aangezien de herroepingstermijn niet is ingegaan omdat geen juiste informatie over herroeping is verstrekt en de verplichte vermeldingen ontbraken. Verweerster concludeert tot afwijzing van de vordering. Het tweede geval komt in wezen met het eerste overeen. In dit geval werd verzoeker over zijn herroepingsrecht als volgt geïnformeerd: “U beschikt over een termijn van 14 dagen om zonder opgave van redenen uw instemming met de sluiting van een overeenkomst te herroepen. De termijn gaat in na sluiting van de overeenkomst, maar niet eerder dan op het tijdstip waarop u alle verplichte informatie als bedoeld in § 492, lid 2, BGB (bijvoorbeeld het soort krediet, het nettokredietbedrag, de looptijd van de overeenkomst) hebt ontvangen.”

Overweging:

Het slagen van de vorderingen hangt af van de geldigheid van de herroeping van de leningsovereenkomsten en van het antwoord op de vraag of verweerders in voorkomend geval kunnen aanvoeren dat er sprake is van rechtsverwerking of dat de uitoefening van het herroepingsrecht rechtsmisbruik oplevert. Tevens wordt erop gewezen dat de prejudiciële vragen in het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing gedeeltelijk samenvallen met de vragen in de reeds bij het Hof aanhangige zaken C 33/20, C 155/20, C 187/20, C-336/20 en C-38/21. Derhalve wordt in overweging gegeven om al deze zaken te voegen.

Prejudiciële vragen:

1) Wat betreft de wettigheidsfictie als bedoeld in artikel 247, § 6, lid 2, derde volzin, en § 12, lid 1, derde volzin, EGBGB [Einführungsgesetz zum Bürgerlichen Gesetzbuche (invoeringswet van het burgerlijk wetboek)]: a) Zijn artikel 247, § 6, lid 2, derde volzin, en artikel 247, § 12, lid 1, derde volzin, EGBGB onverenigbaar met artikel 10, lid 2, onder p), en artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48/EG voor zover zij bepalen dat met de vereisten van artikel 10, lid 2, onder p), van richtlijn 2008/48/EG strijdige contractuele bedingen, voldoen aan de eisen die zijn gesteld in artikel 247, § 6, lid 2, eerste en tweede volzin, en in artikel 247, § 12, lid 1, tweede volzin, punt 2, onder b), EGBGB? Zo ja: b) Volgt uit het Unierecht, in het bijzonder artikel 10, lid 2, onder p), en artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48/EG, dat artikel 247, § 6, lid 2, derde volzin, en artikel 247, § 12, lid 1, derde volzin, EGBGB buiten toepassing moeten worden gelaten voor zover zij bepalen dat met de vereisten van artikel 10, lid 2, onder p), van richtlijn 2008/48/EG strijdige contractuele bedingen voldoen aan de eisen die zijn gesteld in artikel 247, § 6, lid 2, eerste en tweede volzin, en in artikel 247, § 12, lid 1, tweede volzin, punt 2, onder b), EGBGB?

Ongeacht de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag, onder a) en b):

2) Wat betreft de verplichte informatie als bedoeld in artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48/EG: a) Moet artikel 10, lid 2, onder p), van richtlijn 2008/48/EG aldus worden uitgelegd dat het in de kredietovereenkomst te vermelden bedrag van de rente per dag dient te worden berekend op basis van de in de overeenkomst vermelde debetrentevoet? b) Wat betreft artikel 10, lid 2, onder r), van richtlijn 2008/48/EG: aa) Moet deze bepaling aldus worden uitgelegd dat de informatie in de kredietovereenkomst over de te betalen vergoeding voor vervroegde aflossing van het kapitaal zodanig nauwkeurig moet zijn dat de consument het bedrag van de te betalen vergoeding op zijn minst bij benadering kan berekenen? (Ingeval de voorgaande vraag bevestigend wordt beantwoord) bb) Verzetten artikel 10, lid 2, onder r), en artikel 14, lid 1, tweede volzin, van richtlijn 2008/48/EG zich tegen een nationale bepaling op grond waarvan de herroepingstermijn bij onvolledigheid van de in artikel 10, lid 2, onder r), van die richtlijn bedoelde informatie niettemin ingaat bij de sluiting van de overeenkomst, zodat enkel het recht van de kredietgever op een vergoeding voor de vervroegde aflossing van het krediet vervalt? c) Moet artikel 10, lid 2, onder l), van richtlijn 2008/48/EG aldus worden uitgelegd dat de bij de sluiting van de kredietovereenkomst geldende vertragingsrentevoet in absolute cijfers moet worden meegedeeld, althans op zijn minst de geldende referentierentevoet (in dit geval de basisrente als bedoeld in § 247 BGB) [(Bürgerliches Gesetzbuch; burgerlijk wetboek)], aan de hand waarvan de geldende vertragingsrentevoet kan worden vastgesteld door een opslag (in casu van vijf procentpunten overeenkomstig § 288, lid 1, tweede volzin, BGB), en moet de consument over de referentierentevoet (basisrente) en de variabiliteit daarvan worden geïnformeerd? d) Moet artikel 10, lid 2, onder t), van richtlijn 2008/48/EG aldus worden uitgelegd dat de tekst van de kredietovereenkomst de wezenlijke vormvereisten voor de toegang tot een buitengerechtelijke klachten- en beroepsprocedure moet bevatten?

Indien ten minste één van de voorgaande vragen onder a) tot en met d) van de tweede prejudiciële vraag, bevestigend wordt beantwoord: e) Moet artikel 14, lid 1, tweede volzin, onder b), van richtlijn 2008/48/EG aldus worden uitgelegd dat de herroepingstermijn pas ingaat wanneer de in artikel 10, lid 2, van die richtlijn bedoelde informatie volledig en juist is verstrekt? Zo nee: f) Welke criteria zijn doorslaggevend voor het ingaan van de herroepingstermijn niettegenstaande het feit dat onvolledige of onjuiste informatie is verstrekt? Indien de voorgaande eerste prejudiciële vraag, onder a), en/of ten minste één van de vragen onder a) tot en met d) van de tweede prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord:

3) Wat betreft het verval van het in artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2008/48/EG bedoelde herroepingsrecht: a) Kan het herroepingsrecht als bedoeld in artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2008/48/EG komen te vervallen? Zo ja: b) Gaat het bij het verval om een beperking in de tijd van het herroepingsrecht, die bij een parlementaire wet moet worden geregeld? Zo nee: c) Geldt als subjectieve voorwaarde voor het verval dat de consument op de hoogte was van het voortbestaan van zijn herroepingsrecht of in elk geval verantwoordelijk is voor zijn onwetendheid ten gevolge van grove nalatigheid? Zo nee: d) Staat de mogelijkheid van de kredietgever om de kredietnemer de in artikel 14, lid 1, tweede volzin, onder b), van richtlijn 2008/48/EG bedoelde informatie alsnog te verstrekken en daardoor de herroepingstermijn te laten ingaan, in de weg aan de toepassing van de regels inzake het verval van recht op grond van het beginsel van goede trouw? Zo nee: e) Is dit verenigbaar met de vaste beginselen van het internationaal recht waaraan de Duitse rechter krachtens de grondwet gebonden is? Zo ja: f) Hoe moeten Duitse rechtsbeoefenaren een conflict tussen de dwingende bepalingen van het internationaal recht en de door het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde eisen oplossen?

4) Wat betreft de aanname dat er sprake is van misbruik van recht bij de uitoefening van het in artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2008/48/EG bedoelde herroepingsrecht: a) Kan de uitoefening van het in artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2008/48/EG bedoelde herroepingsrecht misbruik van recht opleveren? Zo ja: b) Gaat het bij de aanname dat er sprake is van misbruik van recht bij de uitoefening van het herroepingsrecht, om een beperking van het herroepingsrecht, die bij een parlementaire wet moet worden geregeld? Zo nee: c) Geldt als subjectieve voorwaarde voor de aanname dat er sprake is van misbruik van recht bij de uitoefening van het herroepingsrecht, dat de consument op de hoogte was van het voortbestaan van zijn herroepingsrecht of in elk geval verantwoordelijk is voor zijn onwetendheid ten gevolge van grove nalatigheid? Zo nee: d) Staat de mogelijkheid van de kredietgever om de kredietnemer de in artikel 14, lid 1, tweede volzin, onder b), van richtlijn 2008/48/EG bedoelde informatie alsnog te verstrekken en daardoor de herroepingstermijn te laten ingaan, in de weg aan de aanname dat er sprake is van misbruik van recht bij de uitoefening van het herroepingsrecht op grond van het beginsel van goede trouw? Zo nee: e) Is dit verenigbaar met de vaste beginselen van het internationaal recht waaraan de Duitse rechter krachtens de grondwet gebonden is? Zo ja: f) Hoe moeten Duitse rechtsbeoefenaren een conflict tussen de dwingende bepalingen van het internationaal recht en de door het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde eisen oplossen?

5) Ongeacht de beantwoording van de voorgaande vragen: a) Is het verenigbaar met Unierecht, in het bijzonder met het in artikel 14, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2008/48/EG bedoelde herroepingsrecht, dat volgens nationaal recht bij een met een koopovereenkomst gelieerde kredietovereenkomst na een geldige uitoefening van het herroepingsrecht door de consument overeenkomstig artikel 14, lid 1, van die richtlijn aa) het aan een consument jegens de kredietgever toekomende recht op terugbetaling van de betaalde termijnen pas kan worden ingeroepen wanneer de consument op zijn beurt het gekochte object aan de kredietgever heeft teruggegeven of heeft aangetoond dat hij het object aan de kredietgever heeft verzonden? bb) een vordering van de consument tot terugbetaling van de door hem betaalde termijnen na teruggave van het gekochte object thans ongegrond is en moet worden afgewezen wanneer de kredietgever niet in schuldeisersverzuim is geraakt met de inontvangstneming van het gekochte object? Zo nee: b) Volgt uit het Unierecht dat de onder a), aa) en/of a), bb), beschreven nationale bepalingen buiten toepassing moet worden gelaten? Ongeacht de beantwoording van de voorgaande eerste tot en met vijfde prejudiciële vraag:

6) Is § 348a, lid 2, punt 1, ZPO [Zivilprozessordnung (wetboek van burgerlijke rechtsvordering)], voor zover deze bepaling ook betrekking heeft op verwijzingsbeslissingen als bedoeld in artikel 267, tweede alinea, VWEU, onverenigbaar met de verwijzingsbevoegdheid waarover nationale rechterlijke instanties beschikken op grond van artikel 267, tweede alinea, VWEU, en moet die bepaling dus met betrekking tot het geven van verwijzingsbeslissingen buiten toepassing worden gelaten?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Kreissparkasse Saarlouis C 66/19; C-336/20; C 33/20, C 155/20, C 187/20,C-38/21.

Specifiek beleidsterrein: FIN; EZK;