C-482/21 Euler Hermes

Contentverzamelaar

C-482/21 Euler Hermes

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    19 oktober 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    5 december 2021

Trefwoorden: btw; teruggaaf; cessie

Onderwerp :

•          Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

Feiten:

Euler Hermes is een verzekeringsmaatschappij die zich in het kader van haar activiteiten ertoe verbindt verzekerden een vergoeding uit te keren indien hun klanten nalaten bepaalde vorderingen te betalen. Krachtens de verzekeringsovereenkomst gaan alle aan de verzekerde toekomende rechten over op de verzekeringsmaatschappij en wordt die maatschappij civielrechtelijk gezien de rechtsopvolger van de klanten van de verzekerde. Euler Hermes draagt ook de daadwerkelijke last van de btw die de verzekerden zonder succes aan hun klanten hebben doorberekend. In die context heeft Euler Hermes de Hongaarse belastingdienst verzocht om teruggaaf van btw voor definitief oninbaar geworden vorderingen. De belastingdienst heeft dit verzoek geweigerd. Volgens de belastingdienst is Euler Hermes namelijk niet de (rechts)persoon die in het verleden onderworpen is geweest aan de aangifte- en fiscale verplichtingen in verband met de aan de oninbare schuldvorderingen ten grondslag liggende handelingen (goederenleveringen en diensten). De belastingdienst heeft haar besluit in bezwaar bevestigd. Euler Hermes heeft beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

Overweging:

Volgens de verwijzende rechter draait het hoofdgeding om de vraag of het EU-recht en de algemene EU-rechtelijke beginselen van evenredigheid, fiscale neutraliteit en doeltreffendheid in de weg staan aan een nationale regeling en de praktijk van de nationale belastingdienst op grond waarvan, in het geval van cessie van een oninbaar geworden vordering, de btw met betrekking tot die vordering noch aan de oorspronkelijke verrichter van de belastbare handeling (“de verzekerde”) noch aan de cessionaris van de vordering (“de verzekeringsmaatschappij”) kan worden teruggegeven.

Prejudiciële vragen:

Verzetten de beginselen van evenredigheid, fiscale neutraliteit en doeltreffendheid – met name gelet op het feit dat lidstaten geen hogere btw mogen heffen dan het bedrag dat de leverancier of dienstverrichter voor de betrokken handeling daadwerkelijk heeft ontvangen –, alsmede de in artikel 135, lid 1, onder a), van de btw-richtlijn gewaarborgde vrijstelling – gelet in het bijzonder op het vereiste om deze handeling als één enkele vrijgestelde handeling te behandelen, onder verwijzing naar de uitgangspunten die advocaat-generaal P. Mengozzi in de punten 35, 37 en 53 van zijn conclusie in zaak C-242/08, Swiss Re, heeft uiteengezet –, alsook het vereiste om het vrije verkeer van diensten en kapitaal binnen de interne markt te waarborgen, zich tegen een praktijk van een lidstaat volgens welke de verlaging van de maatstaf van heffing die artikel 90, lid 1, van de btw-richtlijn voorschrijft in geval van definitieve niet-betaling, niet van toepassing is op de verzekeraar die in het kader van de verzekering van schuldvorderingen de verzekerde bij het intreden van het risico (niet-betaling door de klant van de verzekerde) een vergoeding, mede omvattende de maatstaf van heffing en de verschuldigde btw, heeft betaald, als gevolg waarvan de vordering met alle daaraan verbonden executoire rechten krachtens de verzekeringsovereenkomst op de verzekeraar is overgegaan, in de volgende omstandigheden:

(i) op het moment dat de betrokken vorderingen oninbaar zijn geworden, stond de nationale wetgeving een verlaging van de maatstaf van heffing voor oninbare vorderingen in het geheel niet toe, en

(ii) vanaf het moment dat duidelijk werd dat dit verbod in strijd is met het Unierecht en tot op heden sluit het nationale positieve recht de verrichter van de oorspronkelijke levering (de verzekerde) stelselmatig uit van de teruggaaf van btw over de oninbare vordering op grond dat hij dat bedrag reeds van de verzekeraar heeft teruggekregen, en

(iii) de verzekeraar kan aantonen dat zijn vordering op de schuldenaar definitief oninbaar is geworden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-292/19

Specifiek beleidsterrein: FIN-FISCAAL