C-484/20 Vodafone Kabel Deutschland

Contentverzamelaar

C-484/20 Vodafone Kabel Deutschland

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    19 november 2020
Schriftelijke opmerkingen:                       5 januari 2021

Trefwoorden : betaaldiensten; verbintenissen; algemene voorwaarden;

Onderwerp :

•          Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (Voor de EER relevante tekst);

Feiten:

Verzoeker, een consumentenvereniging naar Duits recht, heeft een stakingsvordering ingesteld tegen verweerster, een kabelnetwerkexploitant en internetprovider. Verzoeker is van mening dat verweerster in het kader van zakelijke transacties dient af te zien van de toepassing van een algemene bedrijfsvoorwaarde die luidt: ‘forfaitair tarief voor zelfbetalers: 2,50 EUR per betaling zonder automatische afschrijving’, dan wel dat verweerster zich hierop in het kader van dienstverleningsovereenkomsten voor telecommunicatie- en kabeldiensten niet mag beroepen.

Overweging:

Partijen twisten voor de verwijzende rechter over de vraag of verweerster in haar hoedanigheid van kabelnetwerkexploitant en internetprovider het recht heeft om overeenkomstig haar algemene voorwaarden van consumenten een forfaitair bedrag van 2,50 EUR per betaling te eisen wanneer de betrokken consument verweerster niet machtigt tot automatische afschrijving maar facturen zelf vereffent door middel van een SEPA-overboeking, voor zover de onderliggende verbintenis is aangegaan vóór de datum van omzetting van richtlijn 2015/2366 in het nationale recht (13 januari 2018), maar de verwerking van (verdere) transacties pas na die datum plaatsvindt.

Prejudiciële vraag:

Dient artikel 62, lid 4, van richtlijn 2015/2366 aldus te worden uitgelegd dat deze bepaling zich verzet tegen een nationale regeling of praktijk die bij wijze van overgangsregeling met betrekking tot duurovereenkomsten met consumenten het verbod van toeslagen voor het gebruik van betaalinstrumenten en betaaldiensten op grond van de overeenkomstige nationale omzettingsbepaling slechts toepast indien de onderliggende verbintenis op of na 13 januari 2018 is aangegaan en niet wanneer de onderliggende verbintenis vóór 13 januari 2018 is aangegaan, maar de verwerking van (verdere) betalingstransacties pas op of na 13 januari 2018 plaatsvindt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK; FIN;