C-485/20 HR Rail 

Contentverzamelaar

C-485/20 HR Rail 

Prejudiciële hofzaak  

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     3 december 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     19 januari 2020

Trefwoorden : gelijke behandeling; arbeid en beroep;

Onderwerp :

Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep;

Feiten:

HR Rail is de werkgever van het personeel van de Belgische spoorwegondernemingen. X is aangeworven als gespecialiseerd onderhoudsmedewerker (sporen) en heeft zijn proeftijd aangevat op 21-11-2016. Om een hartfalen te verhelpen, wordt bij X een pacemaker geplaatst, een apparaat dat gevoelig is voor elektromagnetische velden die met name op de spoorwegen aanwezig zijn. Op 28-06-2018 wordt X onderzocht door het gewestelijk geneeskundig centrum van de administratie van HR Rail, dat hem definitief ongeschikt verklaart voor de uitoefening van de functie waarvoor hij is aangeworven. Hierbij wordt gepreciseerd dat hij - in afwachting van het ontslagbesluit - een aangepaste functie kan uitoefenen. Daarom wordt X aangesteld in de functie van magazijnier. Op 03-09-2018 wordt het besluit inzake de medische ongeschiktheid voor de uitoefening van de functie bevestigd door de medische beroepscommissie van de administratie, waarbij X beroep had ingesteld. Op 26-09-2018 stelt de tegenpartij X op de hoogte van zijn ontslag, dat ingaat op 30-09-2018. X verzoekt om nietigverklaring van het ontslagbesluit en stelt dat hij dat hij ruimschoots heeft aangetoond geschikt te zijn voor de functie van magazijnmedewerker. De redelijke aanpassing bestond erin dat hij in die functie werd aangesteld. HR Rail stelt dat de mogelijkheid van redelijke aanpassingen worden onderzocht in het licht van de essentiële vereisten van de betrokken functie en niet in het licht van die van alle andere functies die de werknemer mogelijk zou kunnen uitoefenen

Overweging:

De vraag of onder „redelijke aanpassingen” ook de mogelijkheid moet worden begrepen om iemand die wegens zijn handicap niet meer dezelfde functie als voorheen kan uitoefenen, in een andere functie aan te stellen, wordt door de rechtspraak niet op uniforme wijze beoordeeld. Op basis van de overwegingen in C-397/18 kan niet met zekerheid worden vastgesteld of de verplichting om te voorzien in redelijke aanpassingen voor personen met een handicap inhoudt dat een persoon die wegens zijn handicap niet meer in staat is de essentiële taken van de betreffende functie uit te voeren, moet worden aangesteld in een andere functie in de onderneming waarvoor hij de vereiste bekwaamheden, vermogens en beschikbaarheid heeft, wanneer deze verplichting voor de werkgever geen onevenredige last betekent. Hierover moet volgens de verwijzende rechter een prejudiciële vraag worden gesteld.

Prejudiciële vraag:

Moet artikel 5 van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep aldus worden uitgelegd dat een werkgever verplicht is een persoon die wegens zijn handicap niet meer in staat is de essentiële taken uit te voeren van de functie waarin hij was aangesteld, in een andere functie aan te stellen waarvoor hij de vereiste bekwaamheden, vermogens en beschikbaarheid heeft, wanneer deze maatregel geen onevenredige last voor de werkgever meebrengt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: HK Danmark/Dansk almennyttigt Boligselskab en Dansk Arbejdsgiverforening C-335/11 en C-337/11; DW/Nobel Plastiques Ibérica C-397/18;

Specifiek beleidsterrein: SZW