C-486/14 Kossowski

Contentverzamelaar

Terug C-486/14 Kossowski

Prejudiciële hofzaak

 

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraken
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie
 

Termijnen: Motivering departement:   18 december 2014
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   4 januari 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   4 februari 2015
Trefwoorden: strafrecht; Schengen Uitvoeringsovereenkomst (SUO); ne bis in idem; Europees aanhoudingsbevel (Eab); handvest grondrechten

Onderwerp
- Handvest grondrechten artikel 50/52 (verbod dubbele vervolging)
- SUO artikel 54 (idem)
 

Verzoeker Piotr Kossowski is POL staatsburger. Hem wordt ernstige afpersing met geweld ten laste gelegd na zijn bedreigingen in de onderhandelingen over de aankoop van een personenauto in 2005. De POLaut slagen erin verzoeker tijdens een verkeerscontrole te arresteren, ook al omdat hij nog een openstaande straf heeft en zij onderzoeken dan ook de nieuwe (DUI) telastelegging. In het kader van rechtshulp wordt de DUIaut om documenten gevraagd. In 2008 is de zaak in POL wegens onvoldoende bewijs (de DUI slachtoffer/getuigen konden niet worden gehoord) geseponeerd. In juli 2009 laat het OM Hamburg een Eab uitgaan en in september wordt POL aangeschreven tot uitlevering. Maar de POL Rb laat bij besluit van 17-09-2009 weten te weigeren aan het Eab gevolg te geven. Uiteindelijk wordt verzoeker, die nog steeds gesignaleerd staat, in februari 2014 in DUI aangehouden en op 17-03-2014 voorgeleid. Maar het Landgericht Hamburg weigert een zaak tegen verzoeker te openen (wegens de eerdere vervolging in POL). Het Landgericht baseert zijn weigering op SUO artikel 54 (‘ne bis in idem’-beginsel) hetgeen een procedurele belemmering vormt voor het openen van een strafzaak in DUI. Het OM gaat tegen de uitspraak in beroep.

De verwijzende DUI rechter (Hanseatisches Oberlandesgericht Hamburg) constateert dat DUI bij bekrachtiging SUO bij artikel 54 SUO een voorbehoud heeft gemaakt in de zin van artikel 55, lid 1, SUO: „De Bondsrepubliek Duitsland is niet gebonden aan artikel 54 van het Verdrag indien a) de feiten op grond waarvan in het buitenland vonnis werd gewezen zich geheel of gedeeltelijk op haar eigen grondgebied hebben afgespeeld [...];”. Hij vraagt zich met name af of dit voorbehoud nog geldig is, en legt het HvJEU de volgende vragen voor:
a) Hebben de voorbehouden die de verdragsluitende partijen bij de bekrachtiging van de Schengenuitvoeringsovereenkomst (SUO) krachtens artikel 55, lid 1, sub a, ervan hebben gemaakt – in het bijzonder het sub a door de Bondsrepubliek Duitsland bij het neerleggen van de akte van bekrachtiging gemaakte voorbehoud op grond waarvan zij niet gebonden zal zijn aan artikel 54 SUO „wanneer de feiten op grond waarvan in het buitenland vonnis werd gewezen zich geheel of gedeeltelijk op haar eigen grondgebied hebben afgespeeld [...]” – hun geldigheid behouden na de opneming van het Schengenacquis in het rechtskader van de Unie door het Schengenprotocol bij het Verdrag van Amsterdam van 2 oktober 1997, dat van kracht is gebleven door het Schengenprotocol bij het Verdrag van Lissabon? Gaat het bij deze uitzonderingen om evenredige beperkingen van de werking van artikel 50 [van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie] in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest?
b) Indien dit niet het geval is:
Moeten het in artikel 54 SUO respectievelijk artikel 50 van het Handvest neergelegde ne bis in idem beginsel en het verbod op dubbele vervolging aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de strafvervolging van een beklaagde in een lidstaat – in casu de Bondsrepubliek Duitsland – van wie de strafzaak in een andere lidstaat – in casu de Republiek Polen – door het Openbaar Ministerie, zonder dat is voldaan aan als bestraffing opgelegde verplichtingen en zonder uitgebreid onderzoek, bij gebrek aan voldoende verdenking op feitelijke gronden werd geseponeerd en slechts kan worden heropend indien wezenlijke omstandigheden aan het licht zijn gekomen die daarvoor niet bekend waren, zonder dat van dergelijke nieuwe omstandigheden echter concreet sprake is?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-491/07 Turansky; C-398/12 M; C-129/14 Spasic
Specifiek beleidsterrein: VenJ/DMB

Gerelateerde documenten