C-489/14 A

Contentverzamelaar

Terug C-489/14 A

Prejudiciële hofzaak

 

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   19 december 2014
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   5 januari 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   5 februari 2015
Trefwoorden: EEX (huwelijkszaken en ouderlijke verantwoordelijkheid)

Onderwerp
- Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (Pb L 338, blz. 1)
- Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Pb 2012 L 351, blz.1)

Deze zaak gaat over een (v)echtscheiding van twee FRA burgers (A, de vrouw en B, de man) die in 1997 in FRA zijn gehuwd en in 2000 naar het VK zijn verhuisd. Zij hebben drie kinderen (meisjestweeling 2000 en zoon 2002). Sinds 2010 leven zij gescheiden. A heeft in mei 2011 bij de verwijzende rechter een echtscheidingsverzoek neergelegd en bij de compAut verzoeken om kinderalimentatie, B heeft eerder (maart 2011) een scheiding van tafel en bed gevraagd in FRA. In december 2011 verklaart de Rb Nanterre zich bevoegd tot het opleggen van tussentijdse maatregelen (B krijgt partneralimentatie toegewezen), maar beslist dat de kwesties rond de kinderen door de VK-rechter dienen te worden afgedaan. Op grond van artikel 19 van Vo. 2201/2003 wordt A’s verzoek in VK afgewezen (november 2012). Beide partijen gaan tegen het FRA vonnis in beroep, die beide worden verworpen. B vraagt dan op 17-12-2012 in FRA alsnog een echtscheiding aan, zonder dat de tafel/bed-scheidingsprocedure is afgerond. Deze aanvraag wordt dan ook als ongeldig afgedaan en is door tijdsverloop op 16-06-2014 vervallen.
Op 13-06-2014 dient A in VK opnieuw een echtscheidingsaanvraag in, die om 1 minuut over 12 (dus op 17-06, na het vervallen van de procedure in FRA) rechtsgeldig zou moeten worden, hetgeen wordt geweigerd. Om zeker te zijn dat hij de eerste is dient B op 17-06-2014 om 08.20 lokale tijd in Parijs een verzoek in bij het Tribunal de Grande Instance.
B verzoekt op 09-10-2014 de verwijzende rechter de daar aanhangige zaak niet ontvankelijk te verklaren op grond van het feit dat op het moment waarop de echtscheiding werd aangevraagd, de rechtsmacht van de FRA rechterlijke instanties was gevestigd conform artikel 19 van Vo. 2201/2003. Over dit verzoek moet de verwijzende rechter een uitspraak doen. B stelt dat op het moment dat de echtscheidingsaanvraag door A is ingediend (13-06-2014) de rechtsmacht van de FRA rechter was gevestigd ondanks het feit dat de toen lopende aanvraag (scheiding tafel/bed) op het punt stond te vervallen. Het begrip ‘gevestigd’ wordt door hem uitgelegd in de zin van het arrest C-1/13 Cartier. A ontkent de ‘vestiging’ gezien zij B niet te goeder trouw acht en hij een spoedige en zorgvuldige afwikkeling van de zaak tegenwerkt. Een andere uitleg zou ertoe leiden dat partijen in een echtscheidingsproces de mogelijkheid hebben een aanvraag in te dienen waarover zij zeggenschap zouden blijven houden en waarvan zij de behandeling onredelijk lang zouden kunnen vertragen.

De verwijzende VK rechter [High Court of Justice (England and Wales) Family Division (United Kingdom)] maakt zich zorgen over de langdurige procedure tussen partijen die maar niet nader tot een oplossing komen, en lijkt dit met name te wijten aan de passiviteit van B in de FRA procedure. Het doel van Vo 2201/2003 is juist een snelle afhandeling van aanvragen te garanderen en onverenigbare beslissingen te vermijden. De door partijen gegeven uitleg van het begrip ‘vestigen’(A als in C-111/01 Ganter Electronic en B als in C-1/13 Cartier) biedt volgens de verwijzende rechter veel ruimte voor vertraging en misbruik. Hij besluit de zaak te schorsen om de volgende vragen aan het HvJEU voor te leggen:
1. Wat moet, uit het oogpunt van artikel 19, leden 1 en 3 [van verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB L 338, blz. 1), worden verstaan onder „gevestigd” onder omstandigheden waarin:
a. verzoekende partij in de procedure bij de gerechtelijke instantie waar de zaak voor het eerst aanhangig is gemaakt („de eerste procedure”) zo goed als geen stappen onderneemt die verder gaan dan de eerste afspraak bij de rechter en in het bijzonder geen verzoekschrift (assignation) indient binnen de termijn waarna de vordering (requête) zal vervallen, met als resultaat dat de eerste gerechtelijke procedure door tijdsverloop zonder uitspraak vervalt, conform het lokale (Franse) recht dat van toepassing is in de eerste procedure, namelijk 30 maanden na de eerste verkennende hoorzitting;
b. de eerste procedure, zoals hierboven, zeer kort vervalt (drie dagen) nadat de vordering in de procedure die bij de tweede rechterlijke instantie aanhangig is gemaakt („de tweede procedure”), is ingediend in Engeland, met als gevolg dat geen uitspraak is gedaan in Frankrijk en geen gevaar bestaat voor onverenigbare uitspraken in de eerste en de tweede procedure; en
c. verzoekende partij in de eerste procedure, ten gevolge van de tijdzone van het Verenigd Koninkrijk, na het vervallen van de eerste procedure, steeds de mogelijkheid zou hebben een echtscheiding aan te vragen in Frankrijk voordat verzoekende partij in onderhavige zaak een echtscheiding zou kunnen aanvragen in Engeland?
2. In het bijzonder, strekt „gevestigd’ ertoe dat verzoekende partij in de eerste procedure stappen moet zetten ter spoedige en zorgvuldige afwikkeling van de eerste gerechtelijke procedure teneinde het geschil op te lossen (hetzij bij een rechterlijke instantie, hetzij door onderling overleg) of staat het verzoekende partij in de eerste procedure, eenmaal verzekerd van rechtsmacht op grond van artikel 3 en artikel 19, lid, 1, vrij in het geheel geen inhoudelijke stappen te zetten ter afwikkeling van de eerste, zoals hierboven beschreven procedure en is deze partij bijgevolg vrij de afwikkeling van de tweede procedure een halt toe te roepen en ervoor te zorgen dat het geschil als geheel in een impasse belandt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-111/01 Gantner Electronic; C-1/13 Cartier
Specifiek beleidsterrein: VenJ

Gerelateerde documenten