C-489/20 Kauno teritorinė muitinė

Contentverzamelaar

Terug C-489/20 Kauno teritorinė muitinė

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     24 november 2020
Schriftelijke opmerkingen:                      10 januari 2021

Trefwoorden : accijns; btw; strafbeschikking;

Onderwerp :

•          Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie;

•          Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG;

•          Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

Feiten:

Appellant heeft samen met een groep medeplichtigen de onregelmatige invoer (smokkel) van accijnsgoederen uit Belarus op het grondgebied van Litouwen georganiseerd. Op 22 september 2016 zijn op een afgelegen plaats 6000 pakjes sigaretten over de landsgrens gegooid en opgehaald. Vervolgens werd het motorvoertuig waarmee deze goederen op het grondgebied van de staat werden vervoerd, met dwang door grensfunctionarissen tegengehouden en werden de in het voertuig aangetroffen sigaretten in beslag genomen. Bij strafbeschikking die in het kader van een strafprocedure is vastgesteld door de rechter in eerste aanleg werd appellant schuldig bevonden aan een strafbaar feit op grond van het nationale strafrecht en werd hem een boete van 16 947 EUR opgelegd; teven werd beslist de betrokken goederen verbeurd te verklaren en werd de bevoegde autoriteiten opgedragen deze te vernietigen. Bij het bestreden besluit heeft het douanekantoor – in het licht van deze strafbeschikking – besloten dat appellant gehouden is tot betaling van een douaneschuld.

Overweging:

Teneinde de twijfels weg te nemen die zijn gerezen met betrekking tot de uitlegging en toepassing van de Unierechtelijke bepalingen die relevant zijn voor de rechtsbetrekkingen die in het onderhavige geschil aan de orde zijn, is het gezien deze omstandigheden passend het Hof te verzoeken de betrokken Unieregels uit te leggen. Voor de onderhavige zaak is het van cruciaal belang dat de in het dictum van de onderhavige beslissing gestelde vragen worden beantwoord, omdat daarmee ook een ondubbelzinnige en duidelijke beslissing kan worden gegeven over de verplichting van appellant tot betaling van accijns en btw en bijbehorende bedragen ten aanzien van de betrokken goederen.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 124, lid 1, onder e), van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie [omissis] aldus worden uitgelegd dat een douaneschuld tenietgaat indien, in een situatie zoals die welke in casu aan de orde is, smokkelwaar in beslag is genomen en naderhand is verbeurdverklaard nadat deze reeds op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Europese Unie was binnengebracht (tot verbruik uitgeslagen)?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moeten artikel 2, onder b), en artikel 7, lid 1, van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG, alsmede artikel 2, lid 1, onder d), en artikel 70  van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, aldus worden uitgelegd dat de verplichting tot betaling van accijns en/of btw niet tenietgaat indien, zoals in casu het geval is, smokkelwaar in beslag wordt genomen en naderhand wordt verbeurdverklaard nadat deze reeds op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Europese Unie is binnengebracht (tot verbruik uitgeslagen), zelfs indien de douaneschuld is tenietgegaan op grond van artikel 124, lid 1, onder e), van verordening (EU) nr. 952/2013?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Dansk Transport of Logistik (C-230/08); (C-459/07); SPKR (C-112/01); (C-78/10); (C-273/12); Federal Express Corporation (C-26/18); Commissie/Griekenland (C-590/16); Eurogate Distribution en DH: Hub Leipzig (C-226/14 en C-228/14); (C-571/15);

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal;