C-494/14 Axa Belgium

Contentverzamelaar

Terug C-494/14 Axa Belgium

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie
 

Termijnen: Motivering departement:   22 december 2014
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   8 januari 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   8 februari 2015
Trefwoorden: EU ambtenarenstatuut (SEA); aansprakelijkheid; motorrijtuigenverzekering

Onderwerp: Statuut Europese ambtenaren


Mevrouw Corrazzini (1952) is ambtenaar bij de EU. Zij wordt in mei 2002 slachtoffer van een verkeersongeval: zij wordt als voetganger aangereden door een bromfietser die bij verzoekster verzekerd is. Zij raakt zwaar gewond en wordt de dag van het ongeval nog geopereerd. De politie doet geen verder onderzoek wegens ‘onvoldoende bezwarende feiten’.
De EU stelt in november 2010 op grond van artikel 85 bis SEA (subrogatie) een vordering in bij verzoekster voor de kosten die zij voor Corrazzini heeft gemaakt, met name de maandelijkse invaliditeitsuitkeringen. Het bedrag is inmiddels opgelopen tot bijna € 4 ton. In 2012 wordt door de rechter ‘ontvankelijk doch ongegrond’ uitgesproken. De zaak ligt nu voor in beroep. De EU heeft haar vordering gematigd maar verzoekster stelt verjaring, subsidiair dat de vordering ongegrond is.
Partijen zijn het niet eens over de vraag of artikel 85 bis SEA ook geldt ten aanzien van de derden (verzekeraars) die ertoe gehouden zijn het slachtoffer schadeloos te stellen op basis van artikel 29 bis van de BEL wet van 21 november 1989. Verzoekster heeft Corrazzini in haar hoedanigheid van „zwakke weggebruiker” schadeloos gesteld.

De verwijzende BEL rechter (Tribunal de première instance Brussel) heeft antwoord nodig op de vraag of het begrip ‘aansprakelijke derde’ hier autonoom unierechtelijk dient te worden uitgelegd of conform het BEL recht.
De te vergoeden kosten omvatten zeker de medische kosten en de netto bezoldiging, maar volgens BEL rechtspraak is uitgesloten van de vergoedingsverplichting de toegekende invaliditeitsuitkering. Ook hier ligt de vraag welk recht van toepassing is. Hij legt de volgende vragen voor aan het HvJEU:
1. Dient aan de in artikel 85 bis, lid 1, van het statuut van de Europese ambtenaren vermelde bewoordingen „aansprakelijke derde” een autonome Unierechtelijke uitlegging te worden gegeven, of verwijzen zij naar de betekenis die deze bewoordingen in het nationale recht hebben?
2. Indien daaraan een autonome draagwijdte dient te worden gegeven, moeten zij aldus worden uitgelegd dat zij betrekking hebben op elke persoon aan wie het overlijden, het ongeval of de ziekte is te wijten, dan wel enkel op de persoon die aansprakelijk is wegens de fout die hij heeft begaan?
3. Indien de bewoordingen „aansprakelijke derde” verwijzen naar het nationale recht, legt het Unierecht de nationale rechter dan op om de door de Europese Unie ingestelde subrogatoire vordering toe te wijzen wanneer een van haar personeelsleden het slachtoffer is geworden van een verkeersongeval waarbij een voertuig is betrokken waarvan de aansprakelijkheid niet is vastgesteld, voor zover artikel 29 bis van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen voorziet in automatische schadeloosstelling van de zwakke weggebruikers door de verzekeraars die de aansprakelijkheid van de eigenaar, de bestuurder of de houder van de bij het ongeval betrokken motorrijtuigen dekken, zonder dat hun aansprakelijkheid dient te worden vastgesteld?
4. Volgt uit de inhoud of de opzet van de bepalingen van het statuut van de Europese ambtenaren dat de door de Europese Unie krachtens de artikelen 73 en 78 van dit statuut gedane uitgaven definitief voor haar rekening moeten blijven?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-397/01 Clinique La Ramée
Specifiek beleidsterrein: BZK, mede VenJ en IenM

Gerelateerde documenten