C-497/21 Bundesrepublik Deutschland

Contentverzamelaar

C-497/21 Bundesrepublik Deutschland

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    1 november 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    18 december 2021

Trefwoorden : procedures asielaanvragen, niet-ontvankelijkheid

Onderwerp :

-           Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)

Feiten:

Verzoekers zijn Georgische staatsburgers die in Duitsland (Bondsrepubliek Duitsland, verweerder) verzoek om internationale bescherming hebben ingediend, nadat zij eerder al in Denemarken verzoek hadden ingediend dat door Denemarken was afgewezen. Verzoekers hebben verklaard Georgië in 2017 te hebben verlaten, via Duitsland naar Denemarken waren gereisd, aldaar drie jaar te hebben geleefd alvorens hun verzoek in Denemarken in te dienen. Daarnaast hebben zij verklaard als redenen tegen terugkeer naar Georgië, dat over één van de verzoekers de bloedwraak is uitgeroepen door de familie van een aantal passagiers die deze verzoeker als taxichauffeur vervoerde toen zij werden gearresteerd. De familie houdt de verzoeker persoonlijk verantwoordelijk voor deze arrestatie.

Het Bondsambt voor migratie en vluchtelingen heeft het asielverzoek niet-ontvankelijk verklaard en daarmee afgewezen, stellend dat het een tweede verzoek betrof (na het verzoek in Denemarken) in de zin van artikel 2, onder q) van de richtlijn, waarvoor geen nieuwe procedure hoeft te worden gevoerd, overeenkomstig artikel 33, lid 2, onder d) van de richtlijn. Een daadwerkelijke wijziging van de feiten, hetgeen de rechtvaardiging van een niet-ontvankelijkheidsverklaring onderuit had gehaald, is volgens het Bondsambt niet aangetoond. Het uitroepen van de bloedwraak is volgens het Ambt slechts een uitvloeisel van feiten die reeds in Denemarken waren aangevoerd.

Overweging:

In geschil is of een tweede verzoek een “volgend verzoek” is in de zin van artikel 2, onder q) van de richtlijn, wanneer de lidstaat waarin het eerste verzoek is ingediend en voorzien van definitief besluit, niet dezelfde is als de lidstaat waarin het tweede verzoek is ingediend. Daarbij is ook van belang dat de lidstaat van eerste verzoek in kwestie Denemarken is, die niet gebonden is aan de richtlijn. Indien een tweede verzoek geen “volgend verzoek” is wanneer het eerste verzoek in Denemarken is ingediend, wenst de verwijzende rechter te vernemen of een niet-ontvankelijkheidsverklaring kan worden gegeven wanneer de verzoeker de status van vluchteling heeft.

Prejudiciële vragen:

1) Is een nationale regeling op grond waarvan een verzoek om internationale bescherming als niet-ontvankelijk volgend verzoek kan worden afgewezen, verenigbaar met artikel 33, lid 2, onder d), en artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32/EU wanneer de niet-succesvolle eerste asielprocedure is gevoerd in een andere lidstaat van de Europese Unie?

2) Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, is een nationale regeling op grond waarvan een verzoek om internationale bescherming als niet-ontvankelijk volgend verzoek kan worden afgewezen, dan eveneens verenigbaar met artikel 33, lid 2, onder d), en artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32/EU

wanneer de niet-succesvolle eerste asielprocedure is gevoerd in het Koninkrijk Denemarken?

3) Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, is een nationale regeling op grond waarvan een asielverzoek in geval van een volgend verzoek niet-ontvankelijk is zonder dat daarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de vluchtelingenstatus en de subsidiairebeschermingsstatus, dan verenigbaar met artikel 33, lid 2, onder d), van richtlijn 2013/32/EU?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-648/11 MA e.a.; C-8/20 Bundesrepublik Deutschland;

Specifiek beleidsterrein: JenV