C-50/14 CASTA ea

Contentverzamelaar

Terug C-50/14 CASTA ea

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie
Termijnen: Motivering departement:   26 december 2014
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   12 januari 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   12 februari 2015
Trefwoorden: openbare aanbestedingen; DA(E)B; mededinging; gelijke behandeling; vrijwilligersorganisaties

Onderwerp
- VWEU artikelen 9 (gezondheidszorg); 14 (DAEB); en 106 (openbare ondernemingen)

Deze zaak was geschorst in afwachting van uitspraak in de zaak C-113/13 ASL e.a., maar wordt nu alsnog in behandeling genomen. Het gaat om een aanbesteding op het gebied van taxidiensten en autoverhuur (vervoer van dialysepatiënten voor de periode juni – december 2013). Verzoeksters zijn werkzaam in deze branche. Zij maken starten een procedure tot nietigverklaring wegens de rechtstreekse gunning door de aanbestedende dienst aan vrijwilligersorganisaties.
De verwijzende ITA rechter (administratieve Rb Piemonte) gaat uitgebreid in op ‘geschiedenis’ van de rol van vrijwilligersorganisaties die in de ITA wetgeving (zowel nationaal als regionaal) is geregeld en op de (oude) rechtspraak van het HvJEU op dat terrein (zoals C-70/95) waarin het Hof bepaalde “dat de toelating tot dienstverlening op dit terrein van particuliere aanbieders gebonden dient te zijn aan de voorwaarde dat zij geen winstoogmerk hebben. Ondernemingen die onmogelijk zonder winstoogmerk kunnen werken zouden, om concurrentie aan te kunnen gaan, een beroep moeten kunnen doen op een onkostenvergoeding van de overheid.”
De verwijzende rechter stelt vast dat het in deze zaak om diensten van algemeen (economisch) belang gaat. Recentelijk (januari 2014) heeft het EP een wetgevingsresolutie aangenomen over een nieuw RL-voorstel voor de gunning van overheidsopdrachten waarin is opgenomen dat die RL niet van toepassing is op bepaalde nooddiensten die worden uitgevoerd door non-profitorganisaties of -verenigingen, omdat die organisaties door hun specifieke karakter in hun voortbestaan zouden worden bedreigd indien de dienstverleners volgens de procedures van deze richtlijn geselecteerd zouden moeten worden. Het toepassingsgebied moet echter niet verder worden beperkt dan strikt noodzakelijk is. Het ziekenvervoer per ambulance zou dan ook niet buiten de richtlijn moet blijven maar wel onder de ‘lichtere regeling’.
Onbetwist (ook bij verzoeksters) is dat het vervoer past binnen de voorzieningen van de gezondheidsdienst en dat de betreffende vrijwilligersorganisaties voldoen aan alle juridische vereisten. De verwijzende rechter is van oordeel dat, omdat de organisaties handelen zonder commercieel belang, afwijking van de openbare procedure geoorloofd is. Maar vanwege de aanmerkelijke belangen en de complexiteit van de waarden die op het spel staan, stelt hij de volgende vragen aan het HvJEU:
1) Verzet het Unierecht inzake openbare aanbestedingen – te weten in de onderhavige zaak betreffende uitgesloten overeenkomsten, de algemene beginselen van vrije mededinging, non-discriminatie, transparantie en evenredigheid – zich tegen een nationale regeling die toestaat dat de dienst van ziekenvervoer rechtstreeks wordt gegund aan vrijwilligersorganisaties die in overwegende mate steunen op vrijwillige, onbezoldigde diensten, waarbij louter onkosten worden vergoed?
2) Ingeval een dergelijke wijze van gunning verenigbaar is met het gemeenschapsrecht: is het noodzakelijk tevoren aanbiedingen van meerdere homogene aanbieders (eventueel ook communautaire) die voor rechtstreekse gunning in aanmerking komen, te vergelijken om zodoende het risico van inefficiënte of onbillijke kosten te verkleinen, en dient de nationale norm die rechtstreekse gunning toestaat derhalve in die zin te worden uitgelegd?
3) Ingeval een dergelijke wijze van gunning verenigbaar is met het gemeenschapsrecht: zijn vrijwilligersorganisaties waaraan rechtstreeks een opdracht is gegund, gebonden aan precieze percentuele beperkingen voor parallelle toegang tot de markt, en dient de nationale bepaling die voorschrijft dat commerciële activiteiten van deze organisaties marginaal zijn, derhalve in die zin te worden uitgelegd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-159/11 Azienda Sanitaria Locale di Lecce
Specifiek beleidsterrein: EZ mede BZK, VWS

Gerelateerde documenten