C-50/22 SOGEFINANCEMENT   

Contentverzamelaar

C-50/22 SOGEFINANCEMENT   

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    28 maart 2022
Schriftelijke opmerkingen:                    14 mei 2022

Trefwoorden: kredietovereenkomst, consumenten, bevoegdheidsoverschrijding

Onderwerp :

Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad

Feiten:

Op 05-11-2011 heeft Sogefinancement aan RW en UV een persoonlijke lening verstrekt, die diende te worden afbetaald in 84 maandelijkse aflossingen. Sogefinancement heeft bij de Franse rechter in eerste aanleg een vordering ingesteld strekkende tot veroordeling van RW en UV tot betaling van het uitstaande saldo.  Na onderzoek van de ontvankelijkheid van de vordering heeft de rechter ambtshalve het middel ontleend aan schending van artikel L. 312-25 van het wetboek van consumentenrecht opgeworpen, en vastgesteld dat de overeenkomst op grond van artikel 6 van het burgerlijk wetboek nietig diende te worden verklaard, aangezien het kapitaal minder dan zeven dagen na aanvaarding van het leningvoorstel aan de leningnemers was gestort. Sogefinancement heeft hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld. Onder aanvoering van de bepalingen van de artikelen L. 311-14 en R. 632-1 van het wetboek van consumentenrecht in de versie zoals die ten tijde van de onderhavige zaak gold, betoogt appellante dat de rechter in eerste aanleg de overeenkomst niet ambtshalve nietig mocht verklaren, omdat alleen een consument een beschermingsbepaling van openbare orde kan inroepen; volgens haar is dit bevoegdheidsoverschrijding. Appellante wijst er ook op dat de rechter in eerste aanleg niet na de voor de leningnemers zelf openstaande verjaringstermijn om de nietigverklaring van de overeenkomst te vorderen ambtshalve een middel mocht opwerpen dat tot nietigverklaring van de overeenkomst kon leiden.

Overweging:

Voor consumentenvorderingen alsmede voor verzoeken tot nietigverklaring van de overeenkomst die bij wijze van exceptie zijn ingediend door de consument geldt de verjaringstermijn van vijf jaar, te rekenen vanaf het sluiten van de overeenkomst. Volgens de rechtspraak mag de vaststelling van passende beroepstermijnen in de vorm van verjaringstermijnen de uitoefening van de aan de consument verleende rechten niet in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken. Bijgevolg dient aan het Hof de eerste prejudiciële vraag te worden gesteld. Daarnaast is in Frans recht het inroepen van nietigheid van een overeenkomst niet alleen een materieel verweermiddel tegen een vordering tot betaling van de leninggever, maar ook een zelfstandige vordering. Nietigverklaring van een overeenkomst door de rechter zonder verzoek daartoe of instemming daarmee van de consument nadat de rechter ambtshalve de met nietigheid strafbare onregelmatigheid heeft vastgesteld, kan afbreuk doen aan het lijdelijkheidsbeginsel en de individuele en collectieve rechtszekerheid. Niettemin dient het doeltreffendheidsbeginsel, dat er op algemene wijze toe moet strekken verkopers te weerhouden van praktijken die niet correct zijn, rekening te houden met het feit dat consumenten in geringe mate deelnemen aan het gerechtelijke debat, waaruit op individueel niveau echter niet kan worden afgeleid dat hierdoor wordt erkend dat de vorderingen van de leninggever gegrond zijn, noch dat is ingestemd met een eventuele nietigverklaring van de overeenkomst. Derhalve dient het Hof te worden gevraagd welke voorwaarden noodzakelijk zijn voor het evenwicht tussen het doeltreffendheidsbeginsel, het lijdelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, ingeval de rechter een kredietovereenkomst ambtshalve nietig verklaart zonder dat de consument zich daarover heeft uitgesproken.

Prejudiciële vragen:

1. Verzet het in artikel 23 van richtlijn 2008/48/EG vervatte beginsel van doeltreffendheid van sancties zich er in het licht van het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten tegen dat de rechter na de verjaringstermijn van vijf jaar waarover de consument beschikt om met een vordering of bij wijze van exceptie de nietigheid van de kredietovereenkomst in te roepen, ambtshalve een bepaling van nationaal recht mag opwerpen die voortvloeit uit artikel 14 van de voornoemde richtlijn en waarvan de niet-naleving in het nationale recht met nietigheid van de overeenkomst wordt bestraft?

2. Verzet het in artikel 23 van richtlijn 2008/48/EG vervatte beginsel van doeltreffendheid van sancties, zich er in het licht van het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten en het lijdelijkheidsbeginsel tegen dat de rechter, nadat hij ambtshalve een bepaling van nationaal recht heeft opgeworpen die voortvloeit uit artikel 14 van de voornoemde richtlijn, de kredietovereenkomst nietig mag verklaren, zonder dat de consument die nietigverklaring heeft gevraagd of tenminste hiermee heeft ingestemd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Asturcom Télécommunicaciones (C-40/08), OPR - finances, (C-679/18)

Specifiek beleidsterrein: EZK, FIN