C-502/20 Institut des Experts en Automobiles

Contentverzamelaar

C-502/20 Institut des Experts en Automobiles

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     10 december 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     26 januari 2021

Trefwoorden : erkenning beroepskwalificaties; diensten; interne markt; vrij verkeer

Onderwerp :

-           Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties;

-           Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt;

Feiten:

TP heeft ruim 25 jaar in België de beroepsactiviteit van auto-expert uitgeoefend. Sinds 28-01-2014 woont TP in Luxemburg en verklaart sindsdien aldaar zijn hoofdactiviteit uit te oefenen. Het Belgisch Instituut van de auto-experts (hierna: IAE) heeft TP verzocht zich in te schrijven op de lijst van leden beroepsbeoefenaars van IAE. TP verklaart hij dat hij ook enkele expertises uitvoert buiten Luxemburg (in België, Frankrijk, Duitsland en Zwitserland) en verzoekt om inschrijving op de lijst van autoexperts die hun beroep tijdelijk en incidenteel in België uitoefenen. IAE is van mening dat TP bij gebreke van inschrijving op de lijst, in België op onregelmatige en oneerlijke wijze een auto-expertiseactiviteit uitoefent. IAE heeft TP gedagvaard voor de tribunal de commerce du Hainaut met een vordering tot staking van de autoexpertiseactiviteit en van het voeren van de titel auto-expert. Bij reconventionele vordering heeft TP verzocht voor recht te verklaren dat hij wordt ingeschreven op de lijst van auto-experts die tijdelijk en incidenteel hun beroep uitoefenen. De rechter heeft de stakingsvordering in wezen toegewezen en de reconventionele vordering afgewezen. Hierop heeft TP beroep ingesteld.

Overweging:

IAE weigert TP in te schrijven in het register van auto-experts die tijdelijk en incidenteel hun beroep uitoefenen, op grond dat hij geen tijdelijke activiteit uitoefent, maar slechts een vroegere activiteit voortzet, aangezien hij gedurende meer dan 25 jaar in België een vestiging heeft gehad. De verwijzende rechter is van oordeel dat dit erop neerkomt dat het bestaan van een eerdere duurzame en regelmatige activiteit in een lidstaat eraan in de weg staat dat dezelfde activiteit als tijdelijk wordt beschouwd nadat de vestiging naar een andere lidstaat is overgebracht. De verwijzende rechter vraagt zich af of deze weigering de vrijheid van vestiging in Luxemburg niet belemmert. Tevens wenst de verwijzende rechter met de tweede vraag te vernemen of de door IAE gegeven uitlegging in overeenstemming is met het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 7 van richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties.

Prejudiciële vragen:

a) Kunnen de artikelen 5, § 1, punt 2, onder b), en 6 van de Belgische wet van 15 mei 2007 tot erkenning en bescherming van het beroep van auto-expert, gelezen in samenhang met de bepalingen van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een algemeen kader voor de erkenning van EU-beroepskwalificaties, in het bijzonder de artikelen 6, 8 en 9, aldus worden uitgelegd dat een dienstverrichter die zijn plaats van vestiging naar een andere lidstaat overbrengt, zich daarna in zijn land van herkomst, te weten België, niet in het IAE-register van tijdelijke en incidentele dienstverrichtingen kan inschrijven om aldaar een tijdelijke en incidentele activiteit uit te oefenen? Is een dergelijke uitlegging verenigbaar met de in het Unierecht erkende vrijheid van vestiging?

b) Zijn de artikelen 5, § 1, punt 2, onder b), en 6 van de Belgische wet van 15 mei 2007 tot erkenning en bescherming van het beroep van auto-expert, gelezen in samenhang met de bepalingen van de wet van 12 februari 2008 tot instelling van een algemeen kader voor de erkenning van EU-beroepskwalificaties, in het bijzonder de artikelen 6, 8 en 9, aldus uitgelegd dat voor een in een lidstaat gevestigde dienstverrichter geen sprake meer kan zijn van een „tijdelijke en incidentele activiteit” in een andere lidstaat wanneer hij aldaar diensten verricht of een bepaalde infrastructuur heeft en deze diensten in zekere mate herhaaldelijk zijn, zonder dat zij evenwel regelmatig zijn, verenigbaar met de artikelen 5, 6 en 7 van richtlijn 2005/36/EG?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: OCW; EZK