C-506/14 Yara Suomi ea

Contentverzamelaar

Terug C-506/14 Yara Suomi ea

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het voledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   07 januari 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   24 januari 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   24 februari 2015
Trefwoorden: broeikasgasemissiehandel

Onderwerp
Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging (enz)

De verwijzende rechter attendeert meteen op de aan het HvJEU voorgelegde, nog lopende zaken C-191/14, C-192/14 (Borealis), C-295/14 (DOW Benelux), C-389/14, C-391/14–C-393/14 (Esso Italiana e.a.). Hij stelt voor onderhavige zaak daarbij te voegen omdat de door hem gestelde vragen voor een deel dezelfde inhoud hebben als in genoemde zaken gesteld. Het FIN Min werkgelegenheid en Economische zaken (verweerder) heeft per 08-01-2014 bij besluit de hoeveelheid kosteloos toe te wijzen emissierechten per installatie vastgesteld voor de handelsperiode 2013 – 2020 waarbij de in de emissiehandelrichtlijn en het besluit 2013/448/EU van de EURCIE vastgestelde benchmark alsmede de transsectorale correctiefactor toegepast zou moeten worden. Verzoeksters stellen ongeldigheid van het besluit van de EURCIE maar zijn van mening dat zij geen beroep op basis van VWEU artikel 263 kunnen instellen omdat het litigieuze besluit uitvoeringsmaatregelen vergt. De EURCIE heeft de transsectorale correctiefactor toegepast in strijd met de emissiehandelRL aangezien zij daarbij van foutieve gegevens is uitgegaan. De EURCIE heeft de emissies die ontstaan bij de productie van industriële elektriciteit uit afvalgassen en warmte en koeling via hoogrenderende warmtekrachtkoppeling niet in de berekening opgenomen voor de vaststelling van het industriële emissieplafond, en geen rekening gehouden met alle daarvoor in aanmerking komende emissies. Het industriële emissieplafond is dan ook te laag vastgesteld. Ook de toepassing van de transsectorale correctiefactor berust op een onjuiste uitleg van het begrip ‘installatie’ zoals gedefinieerd in artikel 3, sub e, van de emissiehandelRL en het begrip ‘elektriciteitsopwekker’ in artikel 3, sub u van die RL.
Eén van de verzoeksters stelt dat in besluit 2011/278 de benchmark voor ruwijzer in strijd met de emissiehandelRL is bepaald. Ook hieruit zou nietigheid moeten volgen aangezien de op de hoeveelheid emissierechten toegepaste correctiefactor te laag is.

De verwijzende FIN rechter (Hoogste bestuursrechter) stelt vast dat indien het besluit van de EURCIE ongeldig is het daarop gebaseerde besluit van verweerder tevens ongeldig is.
Volgens artikel 10 bis, lid 1, van de emissiehandelRL stelt de EURCIE uitvoeringsmaatregelen vast volgens de in artikel 23, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing (comitologieprocedure).
Aangezien het HvJEU uitsluitende bevoegdheid heeft om geldigheid van een Unierechtelijke handeling vast te stellen legt hij de volgende vragen voor:
1. Is besluit 2013/448/EU, voor zover het is gebaseerd op artikel 10 bis, lid 5, van de emissiehandelrichtlijn, ongeldig en in strijd met artikel 23, lid 3, van de emissiehandelrichtlijn, omdat het niet is vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing, die is voorgeschreven in artikel 5 bis van besluit 1999/468/EG van de Raad en artikel 12 van verordening nr. 182/2011/EU?
Ingeval deze vraag bevestigend wordt beantwoord, hoeven de andere vragen niet
te worden beantwoord.
2. Is besluit 2013/448/EU in strijd met artikel 10 bis, lid 5, van de emissiehandelrichtlijn voor zover de Commissie bij de vaststelling van het industriële emissieplafond geen rekening heeft gehouden met:
(i) een deel van de geverifieerde emissies van activiteiten en installaties in de periode van 2005 tot en met 2007, die voor de periode van 2008 tot en met 2012 onder het toepassingsgebied van de emissiehandelrichtlijn zijn gebracht, maar waarvoor geen verificatieplicht bestond voor de periode van 2005 tot en met 2007 en die derhalve niet zijn opgenomen in het CITL-systeem;
(ii) de voor de perioden van 2008 tot en met 2012 en van 2013 tot en met 2020 onder het toepassingsgebied van de emissiehandelrichtlijn gebrachte nieuwe activiteiten, voor zover die niet binnen het toepassingsgebied van de richtlijn vielen in de periode van 2005 tot en met 2007 en in installaties werden uitgeoefend die reeds onder het toepassingsgebied van de richtlijn vielen in de periode van 2005 tot en met 2007;
(iii) emissies van vóór 30 juni 2011 gesloten installaties, hoewel er van deze installaties in de periode van 2005 tot en met 2007 en voor een deel ook in de periode van 2008 tot en met 2012 geverifieerde emissies zijn?
Ingeval een of meer van de vragen 2(i)-(iii) bevestigend moeten worden beantwoord, is besluit 2013/448/EU van de Commissie dan wat de toepassing van de transsectorale correctiefactor betreft in die zin ongeldig dat het niet van toepassing is?
3. Is besluit 2013/448/EU van de Commissie ongeldig en in strijd met artikel 10 bis, lid 5, van de emissiehandelrichtlijn en de doelstellingen van deze richtlijn, omdat het bij de berekening van het industriële emissieplafond overeenkomstig artikel 10 bis, lid 5, sub a en b, van de emissiehandelrichtlijn geen rekening houdt met de emissies afkomstig van
(i) de productie van elektriciteit met procesgassen in installaties die vallen onder bijlage I bij de emissiehandelrichtlijn en geen „elektriciteitsopwekkers” zijn, en
(ii) de productie van warmte in installaties die vallen onder bijlage I bij de emissiehandelrichtlijn en geen „elektriciteitsopwekkers” zijn, en waarvoor een kosteloze toewijzing overeenkomstig artikel 10 bis, leden 1 en 4, van de emissiehandelrichtlijn en besluit 2011/278/EU is toegestaan?
4. Is besluit 2013/448/EU, op zich en/of in samenhang met artikel 10 bis, lid 5, van de emissiehandelrichtlijn, ongeldig en in strijd met artikel 3, sub e en u, van de emissiehandelrichtlijn voor zover het bij de berekening van het industriële emissieplafond overeenkomstig artikel 10 bis, lid 5, sub a en b, van de emissiehandelrichtlijn de hierboven in de derde vraag bedoelde emissies buiten beschouwing laat?
5. Is besluit 2013/448/EU in strijd met artikel 10 bis, lid 12, van de emissiehandelrichtlijn voor zover de transsectorale correctiefactor is uitgebreid tot een in besluit 2010/2/EU omschreven bedrijfstak met een CO2-weglekrisico?
6. Is besluit 2011/278/EU in strijd met artikel 10 bis, lid 1, van de emissiehandelrichtlijn, voor zover de Commissie bij de vaststelling van de benchmarks in de maatregelen rekening dient te houden met stimulansen voor energie-efficiënte technieken, de meest efficiënte technieken, hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en het energie-efficiënt hergebruik van rookgassen?
7. Is besluit 2011/278/EU in strijd met artikel 10 bis, lid 2, van de emissiehandelrichtlijn voor zover de beginselen voor het bepalen van de benchmarks gegrond zouden moeten zijn op de gemiddelde prestatie van de 10 % meest efficiënte installaties van een bedrijfstak?

Specifiek beleidsterrein: IenM mede EZ

Gerelateerde documenten