C-521/14 SOVAG

Contentverzamelaar

Terug C-521/14 SOVAG

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   07 januari 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   14 januari 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   14 februari 2015
Trefwoorden: EEX (verzekeringszaak)

Onderwerp
Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

A is slachtoffer van een verkeersongeval in DUI en raakt daarbij zodanig gewond dat hij blijvend arbeidsongeschikt is. Hij dient bij de Rb Länsi-Uusimaa (FIN) een vordering in tegen SOVAG, waar het schadebrengende voertuig verzekerd is. Voor de FIN wet op de ongevallenverzekering geldt dit ongeval tevens als arbeidsongeval. Zijn FIN ongevallenverzekeraar (verweerster If Vahinkovakuutusyhtiö Oy) keert hem (wettelijke) schadevergoeding uit. Verweerster verzoekt in een procedure vast te stellen dat verzoekster op grond van het FIN verhaalsrecht verplicht is haar alle reeds betaalde en toekomstige schadevergoedingen te vergoeden, en samenvoeging van de twee zaken. Verzoekster stelt onbevoegdheid van de FIN rechter.
De Rb verklaart de vordering wegens onbevoegdheid van de FIN rechter niet ontvankelijk. Hij baseert zijn afwijzing op artikel 8 van Vo. 44/2001. Verweerster wendt zich tot het Hof van Beroep van Turku, dat het vonnis vernietigt (april 2013) en de zaak terugverwijst. Naar oordeel van dat Hof zijn de bepalingen in hoofdstuk II, afdeling 3 van de Vo. hier niet van toepassing. De vordering van verweerster houdt rechtstreeks verband met het geschil (connexiteit).
SOVAG blijft van mening dat dit hoofdstuk uitsluitend van toepassing is en dat verweersters vordering tot vrijwaring niet gaat om een vordering in de zin van artikel 6 lid 2 van de Vo., verwijzend naar zaak C-77/04. Verweerster houdt vast aan haar eis tot samenvoeging van de zaken op grond van proceseconomie. De verwijzende FIN rechter (FIN HR) stelt aan de hand van jurisprudentie van het HvJEU vast dat bepalingen met betrekking tot verzekeringszaken van hoofdstuk II, afdeling 3, van Vo. 44/2001 hier niet van toepassing zijn maar dat de bevoegdheid van de FIN rechter dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 6, nr. 2, van de Vo. Hij verwijst ook naar het rapport Jenard over het EEX-Verdrag.
Aangezien niet alle twijfel over de juiste uitleg van het artikel is weggenomen stelt hij onderstaande vraag aan het HvJEU:
“Dient artikel 6, nr. 2, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken aldus te worden uitgelegd dat het van toepassing is op een vordering tot vrijwaring of op een vordering waarmee een andere, daarmee gelijk te stellen aanspraak die nauw samenhangt met de oorspronkelijke vordering, geldend wordt gemaakt, die door een derde krachtens het nationale recht op rechtsgeldige wijze tegen één van de partijen wordt ingesteld, zodat zij in dezelfde gerechtelijke procedure kunnen worden behandeld?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-77/04 GIE Réunion européenne; C-347/08 Voralberger Gebietskrankenkasse
Specifiek beleidsterrein: VenJ

Gerelateerde documenten