C-522/14 Sparkasse Allgäu

Contentverzamelaar

Terug C-522/14 Sparkasse Allgäu

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   07 januari 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   14 januari 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   14 februari 2015
Trefwoorden: vrije vestiging; erfrecht (bankgeheim); verdrag DUI/OOS tot voorkoming van dubbele belastingheffing

Onderwerp
- VWEU artikel 49 en 54 (vrije vestiging)
- Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (Pb L 176 van 27.6.2013, blz. 338)

Verzoekster is een in DUI gevestigde kredietinstelling en een publiekrechtelijke instelling met rechtspersoonlijkheid. Zij heeft in DUI veel filialen, alsmede een kantoor in OOS. Een in DUI woonachtige rekeninghouder van dit OOS kantoor, komt te overlijden. Verweerster (Finanzamt Kemten) verwijt verzoekster (brief september 2008) dat zij heeft nagelaten het voor de erfbelasting bevoegde belastingkantoor overeenkomstig het DUI erf- en schenkingsrecht te informeren over de activa van en vorderingen op de erflater. Verzoekster heeft bezwaar en beroep aangetekend op grond van de vrijheid van vestiging en op het in de OOS wetgeving geregelde bankgeheim, maar beide zijn afgewezen. De zaak ligt nu voor in ‘Revision’.
De verwijzende DUI rechter (Bundesfinanzhof) stelt vast dat het verzoek van verweerder naar DUI recht rechtmatig is aangezien de renseigneringsplicht geldt voor binnenlandse kredietinstellingen en die plicht geldt tevens voor vermogensbestanddelen die door een juridisch onzelfstandig filiaal in het buitenland worden beheerd. Het gaat hier om een persoon die zijn woon- dan wel gewone verblijfplaats in DUI had. Hij vraagt zich wel af of verzoekster zich mogelijk kan beroepen op de vrijheid van vestiging (gelijkstelling op grond van VWEU artikel 54). Hij verwijst naar rechtspraak van het HvJEU waarin uitdrukkelijk wordt bepaald dat VWEU artikel 49 in de weg staat aan elke nationale maatregel die de door het Verdrag gewaarborgde vrijheid van vestiging door EU-onderdanen kan belemmeren of minder aantrekkelijk maken. Feit is dat OOS geen renseigneringsplicht kent maar een strafrechtelijk gesanctioneerd bankgeheim dat ook door een in DUI gevestigde instelling dient te worden gerespecteerd. Openbaarmaking is slechts mogelijk met toestemming van de betreffende klant. Deze vraag om toestemming kan weer een belemmering zijn om aldaar een rekening te openen. Of deze beperking gerechtvaardigd is op grond van de waarborg van doeltreffendheid van fiscale controles wordt door de verwijzende rechter positief beoordeeld, ook aan de hand van het tussen DUI en OOS gesloten verdrag tot het vermijden van dubbele belasting naar het inkomen en het vermogen. Aangezien hij bevestiging van zijn oordeel wenst stelt hij onderstaande vraag aan het HvJEU:
“Staat de vrijheid van vestiging (artikel 49 VWEU; voorheen artikel 43 EG) in de weg aan een regeling van een lidstaat op grond waarvan een kredietinstelling met zetel in die lidstaat verplicht is om bij overlijden van een binnenlandse erflater het ter zake van de erfbelasting bevoegde belastingkantoor ook te informeren over de vermogensbestanddelen van de erflater die in bewaring of in beheer zijn bij een onzelfstandig filiaal van haar in een andere lidstaat, wanneer die andere lidstaat geen vergelijkbare renseigneringsplicht kent en daar voor kredietinstellingen een strafrechtelijk gesanctioneerd bankgeheim geldt?”

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-347/04 Rewe; C-155/08 X en Passenheim-Van Schoot; C-418/11 Textdata software; C-371/10 National Grid Indus
Specifiek beleidsterrein: FIN, mede VenJ

Gerelateerde documenten