C-523/14 Aannemingsbedrijf Aertssen et Aertssen Terrassements

Contentverzamelaar

Terug C-523/14 Aannemingsbedrijf Aertssen et Aertssen Terrassements

Prejudiciële hofzaak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   16 januari 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   02 februari 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   02 maart 2015
Trefwoorden: EEX

Onderwerp
Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Pb 2001, L 12, blz. 1) (EEX-verordening)

Deze zaak gaat tussen twee verzoeksters, BEL aannemers, en als verweerders twee NL BV’s uit Druten/NL (VBS Machineverhuur, Van Sommeren Bestrating) en een particuliere verweerder (naam op verzoek verwijderd).

Verzoeksters stellen schade te hebben geleden wegens vermeende fraude door verweerders. Zij dienen in maart 2013 bij de Rb Antwerpen een klacht in tegen verweerders waarbij zij eisen dat het dossier van de zaak wordt overgedragen aan de BELaut teneinde een gerechtelijk onderzoek te starten. In april 2013 vragen en krijgen verzoeksters van de Rb Arnhem verlof om conservatoir beslag te leggen. De Rb verzuimt dan een termijn te stellen voor de hoofdzaak, zoals vereist in Rv 700 lid 3 zodat verweerders het beslag succes bestrijden, maar in juli 2013 wordt een nieuw verzoek van verzoeksters gehonoreerd waarbij wel een termijn voor een hoofdzaak wordt gesteld. Daarin eisen verzoeksters onder meer een verklaring voor recht dat verweerders aansprakelijk zijn voor de schade en dat de Rb zich onbevoegd verklaart wegens de in BEL aanhangige procedure. De procedure in NL hebben zij enkel ingesteld met als doel te voorkomen dat de gelegde beslagen vervallen. Zij betogen primair dat op grond van de EEX-Vo de NL rechter onbevoegd is, (meer) subsidiair dat de NL rechter de zaak moet aanhouden op grond van internationale samenhang en moet afwachten of de BEL rechter vervolging voortzet. Verweerders stellen dat de zaak buiten de materiële werkingssfeer van de EEX-Vo valt wegens het strafrechtelijke karakter van de aangespannen procedure. De klacht (fraude) en de vordering (schadevergoeding) hebben niet hetzelfde onderwerp en berusten niet op dezelfde oorzaak.

De verwijzende NL rechter (Rb Gelderland) volgt verweerders niet. Het HvJEU heeft in vaste jurisprudentie bepaald dat het toepassingsgebied van de EEX-Verordening in wezen wordt afgebakend aan de hand van factoren die kenmerkend zijn voor de aard van de tussen de procespartijen bestaande rechtsbetrekkingen of van het voorwerp van het geschil. Wat betreft onderwerp en oorzaak oordeelt de Rb dat het doel van de procedures hetzelfde is. De Rb vraagt zich wel af of de klacht met burgerlijke partij stelling zoals deze in BEL is ingediend, in aanmerking genomen dat het gerechtelijk vooronderzoek nog niet is voltooid, heeft te gelden als een aanhangige vordering in de zin van artikel 27 lid 1 EEX-Vo., dan wel op welk tijdstip de zaak moet worden geacht te zijn aangebracht. Hij stelt onderstaande vragen aan het HvJEU:
1. Moet artikel 27 lid 1 EEX-Verordening zo worden uitgelegd dat een vordering voor een Belgisch gerecht voor de toepassing van dat artikel (reeds) aanhangig is in het geval dat voor de Belgische onderzoeksrechter een klacht met burgerlijke partij stelling is ingediend en het gerechtelijk vooronderzoek nog niet is voltooid?
2. Zo ja, op welk tijdstip wordt de zaak die aanhangig is gemaakt door het indienen van een klacht met burgerlijke partij stelling voor de toepassing van de artikelen 27 lid 1 en 30 EEX-Verordening geacht aanhangig te zijn en/ofte zijn aangebracht? 3. Zo nee, moet artikel 27 lid 1 EEX-Verordening zo worden uitgelegd dat een klacht met burgerlijke partij stelling ertoe kan leiden dat een vordering voor een Belgisch gerecht later alsnog aanhangig wordt?
4. Zo ja, op welk tijdstip wordt de zaak dan voor de toepassing van de artikelen 27 lid 1 en 30 EEX-Verordening geacht aanhangig te zijn geworden en/ofte zijn aangebracht?
5. Voor het geval dat een klacht met burgerlijke partij stelling is ingediend maar daarmee nog niet een vordering als bedoeld in artikel 27 lid 1 EEX-Verordening aanhangig is en in de loop van de behandeling van de ingediende klacht later alsnog met terugwerkende kracht tot het moment van de indiening van de klacht dan wel op enig ander moment (afhankelijk van het antwoord op vraag 4) aanhangig kan worden, moet artikel 27 lid 1 EEX-Verordening dan zo worden uitgelegd dat de rechter bij wie een vordering aanhangig is gemaakt nadat de klacht met burgerlijke partij stelling bij de Belgische rechter is ingediend, zijn uitspraak moet aanhouden totdat vaststaat of een vordering als bedoeld in artikel 27 lid 1 voor de Belgische rechter aanhangig is?

Specifiek beleidsterrein: VenJ