C-526/14 Kotnik ea

Contentverzamelaar

Terug C-526/14 Kotnik ea

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   06 februari 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   23 februari 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   23 maart 2015
Trefwoorden: staatssteun (banken); handvest grondrechten

Onderwerp
- Handvest grondrechten artikel 17 (recht op eigendom);
- VWEU artikel 54 (vennootschappen gelijkgesteld met onderdanen);
- Richtlijn 2001/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen (Pb L 125, blz. 15);
- Richtlijn 2012/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 54, tweede alinea, VWEU, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (Pb L 315);
- Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing vanaf 1 augustus 2013 van de staatssteunregels op maatregelen ter ondersteuning van banken in het kader van de financiële crisis (Pb C 216, blz. 1)

Verzoeksters hebben bij de verwijzende rechter procedures ingeleid strekkende tot grondwettigheidstoetsing van een aantal bepalingen van de (wet tot wijziging van de) nationale wet op de banksector. De SLV Centrale Bank heeft in 2013 diverse besluiten genomen waarmee vijf banken zijn gelast over te gaan tot volledige afschrijving (dan wel omzetting in aandelen) van in de wet genoemde passiva, waaronder bijvoorbeeld aandelen, hybride leningen, innovatieve en hybride obligaties, en achtergesteld krediet, ten laste van de rechtmatige houders. Verzoeksters stellen dat door deze maatregelen alle beleggingen verloren zijn gegaan en daarmee hun grondrechten zijn geschonden: inbreuk op het in de SLV grondrecht verankerde verbod op terugwerkende kracht zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond (als evenredigheid) bestaat, strijd met het grondwettelijk recht op privé-eigendom en daarmee een inbreuk op EVRM artikel 1, alsmede met het grondwettelijk rechtszekerheidsbeginsel. Zij betwisten de noodzaak van de regeling: zij bestrijden de verbindendheid van de bankenmededeling, en de richtlijn betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen bevindt zich nog in een voorbereidend stadium (voorstel COM(2012) 280 final) en wijzen op andere manieren om ontoereikend bankkapitaal te verhelpen die minder ingrijpend zijn voor (aandeel-)houders. Herkapitalisatie van banken vormt geen staatssteun in de zin van het Unierecht. RL 2001/24 noemt mogelijke herstelmaatregelen maar niet het op nul zetten van vorderingen, zodat de SLV bepalingen niet als saneringsmaatregelen in de zin van de RL kunnen worden beschouwd. Zij wijzen ook op arrest Panagis (C-441/93) waarin het HvJEU bepaalde dat het kapitaal van de bank niet zonder besluit van de aandeelhoudersvergadering dan wel een rechterlijke beslissing mag worden verlaagd. Verweerster (Nationale Assemblée) alsmede de SLV regering stellen dat de Unie op grond van VWEU artikel 3 exclusief bevoegd is om regels te stellen op gebied van mededinging, dat ook staatssteun omvat. Verweerster past de bankenmededeling van de EURCIE sinds augustus 2013 toe. De litigieuze regelgeving vloeit daaruit voort en is dan ook rechtmatig. Zij bestrijdt en weerlegt inbreuken op de SLV grondwet. Ook de Bank van SLV ziet in de bestreden bepalingen geen aantasting van rechten van aandeelhouders en crediteuren.

De verwijzende SLV rechter zet uiteen dat verzoekers met name opkomen tegen de buitengewone maatregel inzake volledige afschrijving of omzetting van de in aanmerking komende passiva van de banken. Hij duikt in de geschiedenis van de totstandkoming van de regeling en oordeelt dat, alhoewel de bankenmededeling formeel gesproken niet bindend is (uit T-304/08 Smurfit Kappa en C-226/11 Expedia) deze wel rechtsgevolgen kan teweegbrengen (‘soft law’).
De bestreden bepalingen van de SLV regeling brengen duidelijk en zonder twijfel de in de bankenmededeling opgelegde verplichtingen ten uitvoer. Hij meent dan ook dat de bezwaren die verzoekers in wezen ten aanzien van de bepalingen van de SLV regeling aanvoeren eigenlijk tegen de bankenmededeling zelf zijn gericht. Aangezien het HvJEU nog geen uitspraak heeft gedaan over de uitlegging en de geldigheid van de bankenmededeling legt hij het HvJEU onderstaande vragen voor:
Vragen betreffende de rechtsgeldigheid en de uitlegging van de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing vanaf 1 augustus 2013 van de staatssteunregels op maatregelen ter ondersteuning van banken in het kader van de financiële crisis (PB C 216, blz. 1; hierna: „bankenmededeling”):
1) Moet de bankenmededeling, gelet op de rechtsgevolgen die zij concreet teweegbrengt, op het feit dat de Europese Unie overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder b), VWEU exclusief bevoegd is op het gebied van staatssteun en op het feit dat de Commissie overeenkomstig artikel 108 VWEU bevoegd is om besluiten op dat gebied vast te stellen, aldus worden uitgelegd dat zij bindend is voor lidstaten die voornemens zijn staatssteun aan kredietinstellingen te verlenen teneinde een ernstige verstoring in de economie op te heffen, nu dit soort steun permanent is en niet gemakkelijk kan worden teruggedraaid?
2) Zijn de punten 40 tot en met 46 van de bankenmededeling, die aan de mogelijkheid tot het verlenen van staatssteun die bedoeld is om een ernstige verstoring in de nationale economie op te heffen, de verplichting koppelen eigen vermogen, hybride kapitaal en achtergestelde schuld volledig af te schrijven en/of hybride kapitaal- en achtergestelde schuldinstrumenten in eigen vermogen om te zetten, zodat de steunmaatregelen – gelet op de „moral hazard” die zij kunnen doen ontstaan – tot het noodzakelijke minimum kunnen worden beperkt, in strijd met de artikelen 107 VWEU, 108 VWEU en 109 VWEU, aangezien de Commissie daarmee haar bevoegdheid overschrijdt, zoals die in de voormelde VWEU-bepalingen betreffende staatssteun is afgebakend?
3) Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, zijn de punten 40 tot en met 46 van de bankenmededeling, die aan de mogelijkheid om staatssteun te verlenen de verplichting koppelen het eigen vermogen volledig af te schrijven en/of hybride kapitaal- en achtergestelde schuldinstrumenten in eigen vermogen om te zetten, verenigbaar met het in het Unierecht verankerde vertrouwensbeginsel, voor zover die verplichting ziet op aandelen (kapitaal) en hybride kapitaal- en achtergestelde schuldinstrumenten die vóór de bekendmaking van de bankenmededeling zijn uitgegeven en die ten tijde van de uitgifte enkel bij faillissement van de bank zonder vergoeding geheel of gedeeltelijk konden worden afgeschreven?
4) Indien de tweede vraag ontkennend en de derde vraag bevestigend wordt beantwoord, zijn de punten 40 tot en met 46 van de bankenmededeling, die aan de mogelijkheid om staatssteun te verlenen de verplichting koppelen eigen vermogen, hybride kapitaal en achtergestelde schuldinstrumenten volledig af te schrijven en/of hybride kapitaal- en achtergestelde schuldinstrumenten in eigen vermogen om te zetten, zonder dat een insolventieprocedure is geopend en afgerond in het kader waarvan het vermogen van de schuldenaar wordt vereffend bij een gerechtelijke procedure waarin de houders van achtergestelde financiële instrumenten procespartij zijn, verenigbaar met het recht op eigendom als bedoeld in artikel 17, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?
5) Indien de tweede vraag ontkennend en de derde en de vierde vraag bevestigend worden beantwoord, zijn de punten 40 tot en met 46 van de bankenmededeling, die aan de mogelijkheid om staatssteun te verlenen de verplichting koppelen eigen vermogen, hybride kapitaal en achtergestelde schuldinstrumenten volledig af te schrijven en/of hybride kapitaal- en achtergestelde schuldinstrumenten in eigen vermogen om te zetten, voor zover ter uitvoering van die maatregelen het kernkapitaal van de naamloze vennootschap dient te worden verlaagd en/of verhoogd op grond van een besluit van het bevoegde bestuursorgaan, en niet op grond van een besluit van de algemene vergadering van de naamloze vennootschap, in strijd met de artikelen 29, 34, 35 en 40 tot en met 42 van richtlijn 2012/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 strekkende tot het coördineren van de waarborgen welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van artikel 54, tweede alinea, [VWEU], om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap, alsook de instandhouding en wijziging van haar kapitaal, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB L 315)?
6) Kan de bankenmededeling, gelet op punt 19 ervan – met name het in dat punt gestelde vereiste de grondrechten te eerbiedigen –, alsook op punt 20 en de in de punten 43 en 44 ervan opgenomen verplichting om hybride kapitaal en achtergestelde schuldinstrumenten om te zetten of af te schrijven, in beginsel voordat staatssteun wordt verleend, aldus worden uitgelegd dat lidstaten die voornemens zijn staatssteun aan kredietinstellingen te verlenen teneinde een ernstige verstoring in de economie op te heffen, niet gehouden zijn de voornoemde omzetting of afschrijving aan die instellingen op te leggen als een voorwaarde waaronder overeenkomstig artikel 107, lid 3, onder b), VWEU staatssteun kan worden verleend, dan wel aldus worden opgevat dat het voor rechtmatige staatssteun voldoende is dat de omzettings- of afschrijvingsmaatregel voor het evenredige deel wordt uitgevoerd?
– Vraag betreffende de uitlegging van richtlijn 2001/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 april 2001 betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen (PB L 125, blz. 15):
7) Kan artikel 2, zevende streepje, van die richtlijn aldus worden uitgelegd dat ook de in de punten 40 tot en met 46 van de bankenmededeling bedoelde maatregelen inzake lastendeling door de aandeelhouders en de achtergestelde crediteuren (afschrijving van tier 1-kernkapitaal, hybride kapitaal en achtergestelde schuldinstrumenten alsook omzetting van hybride kapitaal- en achtergestelde schuldinstrumenten in eigen vermogen) als saneringsmaatregelen kunnen worden aangemerkt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: T-304/08 Smurfit Kappa; C-226/11 Expedia
Specifiek beleidsterrein: FIN mede EZ

Gerelateerde documenten