C-528/14 X

Contentverzamelaar

Terug C-528/14 X

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak
Klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie

Termijnen: Motivering departement:   16 januari 2015
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:   02 februari 2015
Schriftelijke opmerkingen:                   02 maart 2015
Trefwoorden: douane (vrijstelling bij invoer persoonlijke goederen)

Onderwerp
- Verordening (EG) nr. 1186/2009 van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen;
- Richtlijn 83/182/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap;
- Richtlijn 83/183/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een Lid-Staat van persoonlijke goederen door particulieren

Verzoeker woont en werkt tot maart 2008 in NL en vanaf die datum tot augustus 2011 in Qatar als werknemer van een aldaar gevestigde rechtspersoon. Zijn echtgenote blijft achter in NL. Gedurende zijn werkzame periode verblijft hij 281 dagen buiten Qatar, voor familiebezoek in NL en vakanties elders. Zijn echtgenote bezoekt hem in totaal 83 dagen. Voor zijn terugkeer naar NL verzoekt hij de Inspecteur vrijstelling voor invoer van zijn persoonlijke goederen op grond van Vo. 1186/2009. De Inspecteur weigert dat omdat verzoeker zijn normale verblijfplaats in NL in de zin van genoemde Vo. heeft behouden. HofAMS oordeelt aan de hand van jurisprudentie van het HvJEU dat verzoekers situatie moet worden beoordeeld naar de plaats waar het zwaartepunt van zijn persoonlijke bindingen ligt, en dat is NL. Verzoeker gaat in cassatie. Hij meent dat het HofAMS uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting: wanneer niet eenduidig is vast te stellen waar het permanente centrum van de belangen is gelegen moet voorrang worden gegeven aan de beroepsmatige bindingen, niet aan de persoonlijke. De verwijzende NL rechter (HR) constateert dat in Vo. 1186/2009 het begrip ‘normale verblijfplaats’ niet nader is bepaald. Hij haalt het arrest Treimanis aan waarin het HvJEU de considerans van de aan Vo. 1186/2009 voorafgaande Vo. 918/83 gebruikt om aan te geven hoe het begrip vrijstelling moet worden uitgelegd. Doelstelling van de Vo. was het vereenvoudigen van de werkzaamheden van de douanediensten in de EULS; toepassing van gebruikelijke maatregelen ter bescherming van de economie dient niet restrictief plaats te vinden in zaken die het dagelijks leven van personen en gezinnen aangaan.
Het oordeel van het HofAMS leidt tot de vraag of verzoekers situatie betekent dat hij in de zin van Vo. 1186/2009 zowel in NL als in Qatar zijn normale verblijfplaats heeft gehad. Uit het arrest Wencel kan worden afgeleid dat in een dergelijk geval moet worden gekeken naar de doelstelling van de betreffende regelgeving, die zoals hierboven weergegeven het bestaan van twee verblijfplaatsen niet in de weg staat. Dan zou enkel moeten worden bekeken of is voldaan aan de voorwaarden in artikel 4 – 11 van Vo. 1186/2009 (concurrentie). In eerdere arresten over de Rln 83/182 en 83/183 heeft het HvJEU bepaald dat voor vaststelling van een gewone verblijfplaats alle relevante feitelijke elementen in aanmerking moeten worden genomen. De RL maakt onderscheid tussen een ‘gewone’ en een ‘tweede’ verblijfplaats. Doel van de rln is de bevordering van het vrije verkeer binnen de EU, terwijl de Vo. ziet op (bescherming van) het goederenverkeer tussen de EU en derde landen. In arrest Alevizos ging het, in afwijking van onderhavige zaak, om een situatie waarin betrokkene in twee landen zowel persoonlijke als beroepsmatige bindingen had. Een bepaling als het door het HvJEU uitgelegde artikel 7, lid 1, van RL 83/182 (voorrang aan persoonlijke bindingen) ontbreekt echter in Vo. 1186/2009.
Hij stelt onderstaande vragen aan het HvJEU:
1. Sluit Verordening 1186/2009 de mogelijkheid in dat een natuurlijke persoon tegelijkertijd zowel in een lidstaat als in een derde land zijn normale verblijfplaats heeft en, zo ja, geldt de in artikel 3 voorziene vrijstelling bij invoer dan voor persoonlijke goederen die in het kader van de beëindiging van de normale verblijfplaats in het derde land naar de Europese Unie worden overgebracht?
2. Indien Verordening 1186/2009 het hebben van een dubbele normale verblijfplaats uitsluit en een afweging van alle omstandigheden niet volstaat om de normale verblijfplaats vast te stellen, aan de hand van welke regel of met behulp van welke criteria dient dan voor de toepassing van die verordening te worden bepaald in welk land de betrokkene zijn normale verblijfplaats heeft in een geval als het onderhavige waarin deze in het derde land zowel persoonlijke bindingen als beroepsmatige bindingen heeft en in de lidstaat persoonlijke bindingen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-392/05 Alevizos; C-589/10 Wencel; C-487/11 Treimanis
Specifiek beleidsterrein: FIN

Gerelateerde documenten