C-532/20 Alstom Transport  

Contentverzamelaar

C-532/20 Alstom Transport  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:     15 december 2020
Schriftelijke opmerkingen:                     1 februari 2021

Trefwoorden : aanbesteding; termijn;

Onderwerp :

•          Richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie

Feiten:

Verweerster (een Roemeense nationale spoorwegonderneming, hierna: CFR) heeft al aanbestedende dienst een sectorale openbare aanbesteding georganiseerd voor de gunning van een opdracht voor het herstel van een spoorlijn. Daartoe heeft CFR op 6 december 2016 een aankondiging van de aanbesteding gepubliceerd. Het gunningscriterium was ‘laagste prijs’. In het kader van de aanbestedingsprocedure hebben Railworks, geleid door verzoekster, alsmede BraSig, waarvan verweerster deel uitmaakt, offertes ingediend. In een eerste stadium heeft CFR op 13 maart 2018 de offerte van Railworks ontvankelijk verklaard en op de eerste plek gezet. Op 5 juli 2018 heeft CFR haar echter van de procedure uitgesloten, op grond dat deze offerte niet voldeed aan bepaalde eisen van de aanbestedingsprocedure. De offerte van BraSig werd aangewezen als winnaar. De genoemde uitsluitingsbeslissing en de handelingen waarbij BraSig als winnaar is aangewezen, zijn in rechte betwist en nietig verklaard bij onherroepelijk vonnis van de rechter in tweede aanleg van Boekarest van 20 december 2018. Vervolgens is de offerte van Railworks naar aanleiding van dit vonnis op 12 februari 2019 ontvankelijk verklaard. Na een nieuwe evaluatie van de offertes werd haar bij brief van 19 juni 2019 meegedeeld dat haar offerte was gekozen. Deze brief bevatte echter geen informatie over de wijze waarop de offerte van BraSig was beoordeeld. Op 20 juni 2019 heeft verzoekster verzocht om toegang tot de aanbestedingsdocumenten, met het oog op het bestuderen en kopiëren van de relevante documenten betreffende de wijze waarop de offerte van BraSig was beoordeeld. Op 25 juni 2019 heeft verzoekster bij bestudering van deze documenten vernomen dat de offerte van BraSig ontvankelijk en conform was verklaard. BraSig, die ervan in kennis werd gesteld dat haar offerte ontvankelijk was verklaard maar niet had gewonnen, heeft beroep ingesteld tegen de uitkomst van de aanbestedingsprocedure. Op 5 juli 2019 heeft verzoekster bij de Tribunal București een beroep ingesteld waarmee zij deze rechter onder meer verzocht om het besluit van de CFR waarbij de offerte van BraSig ontvankelijk en conform was verklaard, het verslag van de aanbestedingsprocedure en alle op deze procedure betrekking hebbende handelingen waarbij de offerte van BraSig ontvankelijk en conform werd verklaard, nietig te verklaren en om vast te stellen dat deze offerte niet-ontvankelijk was. Bij vonnis van 8 augustus 2019 heeft de Tribunal București dat beroep wegens termijnoverschrijding afgewezen, op grond dat de termijn van 10 dagen vermeld in artikel 8, lid 1, onder a), van wet nr. 101/2016 berekend moest worden vanaf de datum waarop de uitslag van de aanbestedingsprocedure aan verzoekster was meegedeeld, en niet vanaf de datum waarop zij daadwerkelijk kennis had genomen van het verslag van de aanbestedingsprocedure en van de wijze waarop de offerte van BraSig werd beoordeeld. Verzoekster heeft tegen deze uitspraak een hogere voorziening ingesteld bij de verwijzende rechter, met het betoog dat de feitenrechter de wet onjuist heeft uitgelegd en toegepast.

Overweging:

Volgens de verwijzende rechter moet worden bepaald wanneer de termijn van 10 dagen zoals bepaald in artikel 8, lid 1, van wet nr. 101/2016 begint te lopen. Bovendien moet worden nagegaan of, in het licht van het in artikel 1, lid 1, van richtlijn 92/13 bedoelde recht op een doeltreffend beroep, dat wordt toegekend aan de in lid 3 van dat artikel bedoelde personen, het belang van de winnende inschrijver in een aanbestedingsprocedure voor het instellen van beroep tegen de uitkomst van de procedure ontstaat op het tijdstip waarop de uitkomst van de procedure bekend is geworden.

Prejudiciële vragen:

Moeten artikel 1, lid 1, derde alinea, en lid 3, alsmede artikel 2, onder c), van richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie, aldus worden uitgelegd dat de termijn waarin de inschrijver aan wie de opdracht in het kader van een aanbesteding is gegund beroep in kan stellen tegen de beslissing van de aanbestedende dienst om de offerte van een lager geëindigde inschrijver ontvankelijk te verklaren, berekend moet worden aan de hand van de datum waarop het belang van de winnaar is ontstaan als gevolg van het beroep dat de verliezende inschrijver heeft ingesteld tegen het resultaat van de aanbestedingsprocedure?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:, Intermodal Transports (C-495/03); CILFIT e.a. (C-283/81); Universale-Bau e.a. (C-470/99); Uniplex (UK) (C-406/08); Idrodinamica Spurgo Velox e.a. (C-161/13); Star Storage e.a. (C-439/14); eVigilo (C-538/13); Cooperativa Animazione Valdocco (C-54/18);

Specifiek beleidsterrein: BZK; EZK;