C-545/21 ANAS

Contentverzamelaar

C-545/21 ANAS

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    27 oktober 2021
Schriftelijke opmerkingen:                    13 december 2021

Trefwoorden : aanbesteding, terugvordering steunbedragen, fraude

Onderwerp :

-           Akte van de Raad van 26 juli 1995 tot vaststelling van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen

-           Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen

-           Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten

-           Verordening (EG) nr. 1083/2006 van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999

-           Verordening (EG) nr. 1828/2006 van de Commissie van 8 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, en van verordening (EG) nr. 1080/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling

-           Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt

Feiten:

Bij besluit C(2007) 6318 van 7-12-2007 heeft de Commissie het Italiaanse nationaal operationeel programma netwerken en mobiliteit 2007-2013 goedgekeurd. Verzoekster kwam op grond van dit programma in aanmerking voor steun met betrekking tot de kosten van de werkzaamheden betreffende een rijksweg. Verweerster, het Ministerie van Infrastructuur en Vervoer, heeft de functie van managementautoriteit met betrekking tot die steun. Voor de uitvoering van de werkzaamheden heeft verzoekster een aanbesteding uitgeschreven, waarna de opdracht is gegund aan een tijdelijke vereniging van ondernemingen. Het Ministerie van Infrastructuur en Vervoer heeft besloten het resterende deel van de steun met betrekking tot de rijksweg niet aan verzoekster uit te keren en het volledige reeds betaalde bedrag terug te vorderen, met als reden dat de gunning onregelmatigheden van frauduleuze aard vertoonde. Deze onregelmatigheden bleken uit strafrechtelijke onderzoeken, naar aanleiding waarvan drie functionarissen werden vervolgd voor corruptie. De vervolgingen hielden verband met het aannemen van geldbedragen teneinde de betrokken aanbesteding onrechtmatig te beïnvloeden. Een van de functionarissen heeft zijn collega’s, die deel uitmaakten van het aanbestedingscomité, gevraagd om één van de vennootschappen, RTI Aleandri, aan wie de opdracht uiteindelijk gegund is, te bevoordelen. Er is niet aangetoond dat de leden van het comité daadwerkelijk invloed hebben uitgeoefend op de gunning. Verzoekster heeft nietigverklaring van het besluit van het Ministerie van Infrastructuur en Vervoer gevorderd.

Overweging:

De verwijzende rechter meent dat hij op grond van het bewijs waarover hij beschikt niet met zekerheid kan vaststellen dat de betrokken opdracht onrechtmatig is gegund aan RTI Aleandri. Volgens de verwijzende rechter is het noodzakelijk dat het Hof verduidelijkt of in een zaak als in het onderhavige beroep aan de orde is kan worden geoordeeld dat er sprake is van een “onregelmatigheid” als bedoeld in verordening (EG) nr. 2006/1083 in de vorm van “fraude”. De verwijzende rechter heeft geen nadelige gevolgen voor de algemene begroting van de Unie vastgesteld, aangezien de steun is gebruikt voor het vooraf vastgestelde doel. Tevens twijfelt de verwijzende rechter over de verenigbaarheid van de toepasselijke nationale regeling met richtlijn 2004/18/EG.

Prejudiciële vragen:

1) Moeten artikel 70, lid 1, onder b), van verordening (EU) nr. 1083/2006, artikel 27, onder c), van verordening (EU) nr. 1828/2006, artikel 1 van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen die is opgenomen in de akte van de Raad van 26 juli 1995, artikel 1, lid 2, van verordening nr. 2988/95, en artikel 3, lid 2, onder b), van richtlijn (EU) 2017/1371, aldus worden uitgelegd dat de gedragingen die een ondernemer in abstracte zin kunnen bevoordelen tijdens een aanbestedingsprocedure, altijd onder het begrip „onregelmatigheid” of „fraude” vallen en derhalve een rechtsgrond vormen voor de intrekking van de steun, ook indien niet volledig is bewezen dat deze gedragingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, of beslissend zijn geweest voor de keuze van de begunstigde?

2) Staat artikel 45, lid 2, onder d), van richtlijn 2004/18/EG in de weg aan een regeling als die van artikel 38, lid 1, onder f), van decreto legislativo nr. 163/2006, op grond waarvan een ondernemer die heeft gepoogd het besluitvormingsproces van de aanbestedende dienst te beïnvloeden, niet van de aanbestedingsprocedure kan worden uitgesloten, met name indien die poging bestond in omkoping van een aantal leden van het aanbestedingscomité?

3) Indien het antwoord op de vorige vragen of een daarvan bevestigend luidt, moeten de genoemde bepalingen dan aldus worden uitgelegd dat zij altijd ertoe verplichten dat de steun door de lidstaat wordt ingetrokken en de Commissie een financiële correctie van 100 % toepast, ondanks dat die bijdragen hoe dan ook zijn gebruikt voor het doel waarvoor zij bestemd waren en voor een project dat voor Europese financiering in aanmerking komt en daadwerkelijk is verwezenlijkt?

4) Indien het antwoord op vraag 3) ontkennend luidt, ofwel aldus luidt dat intrekking van de steun of een financiële correctie van 100 % niet verplicht is, laten de in vraag 1 genoemde bepalingen en de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel dan toe dat bij de intrekking van de steun en de financiële  correctie rekening wordt gehouden met de financiële schade die daadwerkelijk aan de begroting van de Europese Unie is toegebracht? Moeten in het bijzonder in een situatie als in de onderhavige zaak aan de orde is, de in artikel 98, lid 3, van verordening (EU) nr. 1083/2006 bedoelde „financiële consequenties” forfaitair worden vastgesteld op grond van de criteria in de tabel in punt 2 van [de bijlage bij] besluit C(2013) 9527 van de Commissie van 19 december 2013?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK; FIN